Bloemetjesplukdag

Kaló Mína, Kalí Protomagiá! Dat is de wens die vandaag overal in Griekenland te horen is. Het strooien met wensen doen we hier graag. Behalve de goede maand (mina)-wens, gunnen we iedereen op elke nieuwe maandag ook een goede week. Valt dat op de eerste van een nieuwe maand, dan wordt het dus een dubbele wens. Je moet het maar weten. En dan heb ik het maar niet over alle verschillende wensen bij feestelijkheden als bruiloften, dooppartijen en natuurlijk de naamdag, die voor een Griek de plaats inneemt van ‘onze’ verjaardag. Ik breek regelmatig mijn tong erover en heb nog steeds de bibbers als ik naar een condoleance moet. Het ‘silipitiria’ (συλλυπητήρια gecondoleerd) lijkt best veel op ‘singariteria’ (συγχαρητήρια gefeliciteerd) en ik moet dus altijd heel goed nadenken om het juiste woord uit te spreken als ik de bedroefde familieleden de hand schud. ‘Gefeliciteerd’ is niet wat je hun op zo’n moment toe wilt wensen.

Vandaag is het niet alleen de eerste dag van de maand, het is de eerste dag van de Meimaand (Protomagiá). En waar elders in Europa de eerste mei met ernstige gezichten gevierd wordt als de Dag van de Arbeid, vieren we hier het Begin van de Lente. Wat geheid heel wat vrolijker gezichten oplevert dan zo’n dag van de arbeid, want wie wordt nu niet vrolijk van de lente? Mijn buren in ieder geval, want terwijl ik dit stukje voor u schrijf, draait op nog geen drie meter afstand van mijn werkkamer aan de andere kant van de tuinmuur een sappig geitje rond aan het spit. De radio op de muur spuwt onafgebroken Griekse muziek uit, en begeleidt het belangrijke werk van de buurman: toezicht houden op het draaien en regelmatig het vlees insmeren met olijfolie. Uiteraard onder het genot van een glaasje tsipouro, want de keel moet ook gesmeerd worden. De vrouwen dekken ondertussen de tafel en zorgen voor salades, brood en andere bijgerechten. Na een uurtje of vier – of wanneer het oog van de meester heeft besloten dat het vlees gaar is – gaan de vele inmiddels in de tuin verzamelde familie en vrienden aan tafel om te genieten van het goede der aarde.

Behalve zo’n feestelijke barbecue – overal in de parken en olijfgaarden zie je vandaag families met zo’n meegebrachte grill picknicken – is de eerste mei voor de Grieken vooral een dag waarop je de velden in gaat om bloemetjes te plukken en kransen te vlechten. De kransen worden mee naar huis genomen en opgehangen aan de voordeur of het hek. Dat uitbundig vieren van de lente en het eren van de natuur is al eeuwenoud. In Nederland is dat helaas verdrongen door die serieuze Dag van de Arbeid, maar vroeger hadden we ook in Nederland op de eerste mei een vrolijke meiboom-viering, waarbij in het wit geklede jongedames rond een met lange linten versierde meiboom dansten. In het fotoalbum van mijn moeder zag ik daar nog leuke plaatjes van. Zelf ken ik deze traditie meer vanuit Engeland, waar op het platteland die meiboom-viering nog uitgebreid gevierd wordt.

Ik houd ervan, dat vieren en eren van wat de natuur ons allemaal geeft. Het zit een beetje in de familie, want had ik u al eens verteld dat mijn (Canadese) nicht Joanna van der Hoeven een beroemde en zeer professionele Druïde in Engeland is? Joanna’s boeken over de filosofie van de Modern Druidry zijn stuk voor stuk bestsellers in dit genre, en haar visie op het leven – Live it, as fully and as aware as you can – spreekt ook mij erg aan. Ik ben helaas iets te vroeg geboren en misschien ook wel in het verkeerde land om mijzelf alsnog te bekwamen in de leer der Moderne Druïden, maar het respect voor de natuur dat deze beweging uitdraagt is zeker iets wat bij mij aanslaat. Klinkt het heel gek om hardop te zeggen dat ik in Joanna eigenlijk wel een jongere, ‘vrijere’ uitgave van mezelf terugzie? Zelfs mijn liefde voor muziek en dansen heeft ze in haar genen meegekregen, want ze is al jaren de leidster van een succesvolle buikdansgroep en schrijft en zingt wonderlijk mooie melodieën. Ik heb heel veel bewondering voor de manier waarop zij een onderwerp dat door velen toch wat lacherig wordt afgedaan – druïden en heksen kom je nu eenmaal niet dagelijks tegen – aan de wereld weet te presenteren en ben er dan ook supertrots op haar tante te zijn!

Aan de andere kant van de tuinmuur is het feest van de eerste mei inmiddels in volle gang. De zon schijnt en op straat zie ik hele families gezellig keuvelend voorbijkomen met in hun armen grote bossen wilde bloemen waar vanmiddag mooie kransen van gemaakt gaan worden. Het is feest om me heen, en ik houd mijn Dag van de Arbeid dan ook met liefde voor gezien. Ik ga u verlaten om uitgebreid de lente te vieren – weliswaar zonder gebraden geitje, maar met heel veel genieten van al die zonnige bloemen in mijn heerlijke tuin… 😉

♥♥♥♥♥

Dubbelroman Griekse Zomers

Een heel goed begin van de zomer! Twee van mijn niet meer te verkrijgen romans worden opnieuw uitgegeven! ‘Zomerdroom’ en ‘Een Zomernacht’ (eerder gepubliceerd als Bouzouki Boogie) nu samen in één dubbelroman: GRIEKSE ZOMERS verschijnt in juli 2018 en is nu al te reserveren. Dat wordt een heerlijk lange luie leeszomer

Klik hier of op de foto voor meer informatie.

♠♠♠

 

Column jubileum!

Vandaag precies tien jaar geleden plaatste ik mijn eerste Leven in Pilion-column. ‘Huisdieren’ was de titel daarvan, en u kunt hem onder aan dit verhaal nog een keer lezen. Het was een noodgedwongen korte column, want het uploaden naar de website duurde in die tijd letterlijk uren. Ik herinner me dat de gemiddelde snelheid nog geen 56 kBs was, en aangezien we een inbelverbinding hadden, betaalden we per telefoontik. Hoge telefoonrekeningen konden we ons niet veroorloven, dus een strikt internetbeleid was pure noodzaak.

Sindsdien is er veel veranderd. Tegenwoordig hebben we snel en goedkoop internet, zodat ik u iedere maand zeer uitgebreid kan vertellen wat er bij ons allemaal gebeurt. Foto’s erbij plaatsen is geen enkel probleem, in een handomdraai staan ze erop. Het dagelijks contact met Nederland is zo vanzelfsprekend geworden, dat ik me niet eens meer kan voorstellen hoe anders het was in die begintijd. Hoe ik voor een simpel ‘bijpraat-telefoontje’ met de familie naar de telefooncel in het dorp moest, gewapend met een telefoonkaart die zorgvuldig uitgezocht was op ‘bellen met het buitenland’. En als de dorpstelefoon het dan deed – want dat was ook altijd afwachten – dan moest je maar hopen dat de verbinding niet al te veel kraakte of dat er geen zware vrachtauto’s langs denderden. Het nodigde allemaal niet uit om ontspannen bij te kletsen, laten we het daar maar op houden.

Bij gebrek aan goede communicatiemiddelen waren de columns in die begintijd dan ook vooral bedoeld om onze familie en vrienden op de hoogte te houden van onze avonturen. In de loop der jaren wisten echter steeds meer ‘vreemde’ mensen de weg naar mijn website te vinden, en toen ik wat meer bekendheid kreeg als schrijfster, kwamen er nog meer trouwe lezers bij. En dan was er ook nog de categorie ‘vakantiegangers’, op zoek naar informatie over Pilion. Veel was er destijds niet te vinden op het net, en zo kwamen ze dan al snel bij mijn website uit. Ik kreeg zo vaak een mailtje met toeristische vragen, dat ik het ‘gidsje voor bezoekende vrienden’ oppimpte, en er een heuse reisgids van maakte, die via een mailberichtje aan mij besteld kon worden.

Het uiterlijk van de website veranderde drastisch toen ook wij snel internet kregen. Het archief moest opgeschoond, waarna de ‘oude’ columns werden gebundeld in het boekje ‘Leven in Pilion’. Er kwamen aparte pagina’s over mijn romans en de reisgids, en overal kon ik foto’s plaatsen, zonder me af te vragen hoelang het uploaden zou duren en wat dat zou gaan kosten. Maar door al die jaren en alle veranderingen heen, bleef één ding altijd bestaan: de maandelijkse column. Ik vind het ongelooflijk dat ik u al zoveel jaren lang mag vertellen over onze avonturen. Ik vraag me echt serieus af of u het niet vreselijk zat wordt, altijd dat geneuzel van mij over onze te warme zomers en te koude winters, over mijn gekissebis met manlief, mijn gejammer over pijntjes en kwaaltjes. En dan heb ik het maar niet over al dat huisdier-gemekker. Ik kan me heel goed voorstellen dat u er af en toe schoon genoeg van hebt. Dat mag, hoor. Een maandje overslaan is helemaal niet erg!

Tien jaar is niet niks. Om dat een klein beetje te vieren heb ik onlangs een aantal van de nieuwere columns, met name die over toeristisch Pilion gaan, gebundeld in een e-book: De smaak van water. U kunt het e-book gratis downloaden als u zich aanmeldt via de link Aanmelden rechtsboven op de website. Op de een na laatste pagina vindt u bovendien een kortingscode, waarmee u tot 30 april 2018 € 2,50 korting krijgt op de reisgids Een Hollandse Kijk op Pilion. Als u die code doorgeeft bij uw reisgidsbestelling, dan verreken ik dat meteen bij het doorgeven van de betalingsdetails. Heeft u het e-book al, omdat u reeds geabonneerd bent op mijn site, en wilt u graag gebruik maken van de reisgidsaanbieding, laat me dat dan even weten via een berichtje op het contactformulier, dan komen we daar samen wel uit.

Rest mij nog u allen heel hartelijk te bedanken voor het lezen van mijn columns. Dat ik mij al tien jaar lang columniste mag noemen komt geheel en al door uw trouwe bezoekjes. Ik hoop dat u mijn columns blijft lezen, dan blijf ik ze schrijven. En wie weet, misschien ontmoeten we elkaar ooit in het echt op ‘ons’ prachtig groene, mooie schiereiland… 😉

♥♥♥♥♥

De allereerste websitecolumn: Maart 2008 – HUISDIEREN

Vandaag ben ik al om acht uur opgestaan. Vroeg voor mijn doen, want normaal gesproken begint mijn werkdag pas rond negen uur. Zorro, de zwerfkat die zich af en toe verwaardigt om te blijven slapen, had het wel gezien bij ons en vond dat er maar eens wat leven in de brouwerij moest komen. Meneer wilde zijn ontbijt, iets wat hij zeer duidelijk kenbaar maakte door luid miauwend door de gang heen en weer te drentelen. Uiteraard werd hij door mij, nog een beetje slaperig, onmiddellijk op zijn wenken bediend. Zorro is nu eenmaal geen kat die zich lang laat negeren. Tevreden likkebaardend verdween hij na het eten meteen naar buiten, ongetwijfeld op zoek naar het vrouwvolk, dat regelmatig op en rond ons balkon huist.

Voor de goede orde: wij hebben géén huisdieren. Toen wij hier kwamen wonen, hebben we dat heel duidelijk met elkaar afgesproken. Kijk, dat de overgebleven etensresten naar de zwerfkatten gaan, vinden we eigenlijk wel normaal. Voor het geval er niets overblijft, hebben we altijd wel een zak kattenbrokken in huis. Die beesten hebben het in de winter immers al zwaar genoeg. En Zorro, ach, die mag best een paar uurtjes op de stapel hout naast de kachel liggen. Het arme dier is per slot van rekening ook niet meer een van de jongsten. Dan hebben we Pluto, de halfblinde hond van de taverne. Als die bibberend in de regen op onze deurmat zit, nou ja, dan mag hij best een nachtje komen logeren, toch? En zeg nou zelf, wat kun je doen als poes Punkie, ook een van de zwerfkatten,  zich midden in de nacht via de openstaande balkondeur met haar vier pasgeboren kittens op het logeerbed installeert? Dan maak je toch een kraambed van de wasteil op het balkon? Oké, dat ze dan een paar weken later met zijn vieren tegelijk op je schoot springen wanneer je rustig je ontbijtkoffie op het balkon wilt drinken, ja, dat hoort er gewoon bij.

Maar huisdieren? Nee, hoor, die hebben we niet…

* * * * *

 

Stadsbezoek Larissa

Winter in Kato Gatzea kan een saaie bedoening zijn. Kán, want het hoeft niet. Het ligt er maar net aan wat je maatstaven zijn. Die van ons liggen niet zo hoog. Geef ons een milde winter met veel zon en af en toe een regendagje, een wekelijkse Griekse les, een roseetje bij Karma in het weekend, en voilá, wij zijn dik tevreden. Anders wordt het als zoonlief op bezoek komt. Die vindt wat leven in de brouwerij wel leuk, dus proberen we dan meestal wel een uitstapje te maken. Dit keer viel de keus op Larissa, een wat grotere stad die op een klein uurtje rijden voorbij Volos ligt. Ik schreef er al een column over voor Vlaardingen24, maar aangezien mijn website toch weer heel veel andere bezoekers trekt, doe ik het hier nog eens lekker uitgebreid -– met véél foto’s! – over.

Larissa viel ons namelijk alles mee. We waren er nooit eerder geweest, aangezien we geen auto hebben. Je kunt er ook met de KTEL-bus naartoe, maar dat is zo’n gepriegel met aansluitingen vanuit ons dorpje, dat we daar nooit aan begonnen zijn. Nu hadden we de beschikking over een huurauto, een zoon die weet hoe je met gps omgaat, en bleek de weersverwachting ook nog eens zodanig dat we niet de kans liepen overvallen te worden door regen en/of ijzel. Kortom, niets stond ons in de weg om het Larissa-avontuur aan te gaan, dus stapten we op een zonnige januari-dag om halfelf ’s ochtends in de auto, op weg naar De Grote Stad.

En het was leuk! Ik kan niet anders zeggen. We hadden mazzel met het weer, want hoewel het behoorlijk fris was, scheen de zon volop. Perfect stadswandelweer, zal ik maar zeggen. En dankzij de gps van zoonlief wisten we precies waar alle bezienswaardigheden zich bevonden. Dat hadden we al uitgedokterd op het verwarmde terras waar we na aankomst een kop koffie dronken. En laten die bezienswaardigheden nou allemaal vlakbij en dus op loopafstand liggen! Na de koffie slenterden we dus op ons gemak naar de oude arena, via autoloze winkelstraten met gezellige winkeltjes. Daarna bezochten we de overblijfselen van de oude Turkse Markt, de Bezesteni, die al in de 15e eeuw gebouwd werd. Zo heel veel staat er niet meer van overeind, maar met een beetje fantasie kun je de kooplui echt nog wel horen schreeuwen. Fascinerend vond ik ook de aanwezigheid van een ‘kluis’, waarin de schatten en de ‘archieven’ van de stad werden bewaard: een klein stenen huisje dat al vijf eeuwen lang zijn mannetje staat. De schatten zullen inmiddels wel verdwenen zijn, en de dossiers hebben vast een plaatsje gevonden in een ander onderkomen, maar toch… je staat zomaar oog in oog met iets wat ze vijfhonderd jaar geleden hebben gebouwd om de geschiedenis voor het nageslacht te bewaren. Daar word je op zijn minst even stil van.

Niet zo lang, hoor, want naast die markt ligt een oude Byzantijnse kerk, te bereiken via een park vol met graven en beelden. Ook fascinerend, vooral dat graf van een jongen van achtentwintig jaar, waarop een heel verhaal stond. Te veel en te moeilijk voor mij om het zo en passant even te vertalen, maar het staat op de foto, dus ik ga er zeker een keer echt voor zitten. Een mooie oefening voor tijdens onze Griekse les met de buuf, die altijd in is voor ‘eigen inbreng’. En het ‘vliegende beeld’ van de jonge vrouw op de top van de obelisk vond ik ook heel mooi. Ik had daar nog wel een poosje kunnen rondlopen, maar aangezien de mannen al op weg waren naar de kerk, heb ik me maar tevredengesteld met het nemen van foto’s.

O, en had ik al verteld dat we tijdens onze wandeling telkens weer uitzicht hadden op de beroemde Olympus? Besneeuwd uiteraard, het is per slot van rekening nog hartje winter. Ik heb die berg al een paar keer gezien vanuit de bus als ik onderweg was naar Thessaloniki, maar dan zie ik hem blijkbaar van een heel andere kant, want ik moet eerlijk bekennen dat ik hem niet herkende. Het was dat onze zoon via alweer die gps precies wist dat vóór ons de Olympus lag en rechts daarvan de Ossa, anders had ik u dat niet kunnen vertellen. Maar nu dus wel! En imponerend was het, hoor, die in de verte liggende woonplaats van de Griekse goden. Dan voel je je als mens toch wel even heel klein worden, zelfs in de eenentwintigste eeuw…

De Byzantijnse kerk had prachtige mozaïek-ramen, waarin de zon een mooi spel speelde. En de zuilengang met binnenhof ernaast zal op zonnige dagen ongetwijfeld veel rust en verkoeling brengen. Dat hadden wij niet nodig, want rustig en koel was het al, wat misschien de reden was dat de kerk voor bezoekers gesloten was. Of misschien mag je er alleen op zondag in, ik heb geen idee. Zo heel erg vond ik het niet, want in de afgelopen jaren heb ik al heel veel Bijzantijnse kerken vanbinnen gezien. Een hoop pracht en praal, die mij persoonlijk niet zo heel veel zegt. Hooguit bezorgt het me een nare smaak in de mond, omdat ik op zo’n moment het verschil tussen de rijke kerk en de arme gelovigen iets te veel voor me zie. Maar dat is mijn persoonlijke opvatting, en in het kader van ‘de kunst’ zijn dit soort kerken zeker de moeite van een bezoek waard. Mijn aandacht werd echter al snel getrokken naar het iets lager gelegen viaduct aan de andere kant van het kerkplein, waarop zich een aantal afbeeldingen van kleurrijke fietsers bevonden. En laat er nou net een ‘eenzame fietser’ passeren toen ik een foto maakte. Kijk, dat zijn van die toevalsmomenten waar ik van ga glimlachen.

Inmiddels was er al aardig wat tijd verstreken en onze magen begonnen te knorren. Dus zochten we het centrum van de stad weer op, slenterend over ruim opgezette pleinen die ook de moeite van het fotograferen waard waren. Leuk was ook het ‘contact-moment’ met een toevallige passant, een oudere meneer die zag dat ik een overzichtsfoto nam. Hij bleef glimlachend stilstaan, wachtte tot ik had afgedrukt en groette mij met een lachend knikje voor hij weer verder liep. Leuk is dat, zo’n totaal onbekende man die geen enkel idee heeft dat hij nu figureert in een foto die door u in Nederland bekeken wordt omdat ik vandaag toevallig een column over Larissa schrijf. Fascinerend zoiets, misschien verwerk ik het nog wel eens in een verhaal.

Na de lunch in een ‘industrial design’-lunchcafé gingen we langzaamaan weer op weg naar de parkeergarage waar onze auto stond. Hoe te betalen was niet helemaal duidelijk, maar dat was de garage zelf ook niet, dat hadden we bij aankomst al ondervonden. Een labyrinth van smalle steile afdalingen, met niet al te duidelijke heen- dan wel terug-pijlen. Gelukkig hadden we een kleine auto, die alle bochtjes weer terug omhoog keurig wist te nemen. Eenmaal boven konden we bij de juffrouw aldaar betalen. Nou ja, je moest er wel voor uitstappen, en even naar het hok lopen, en aangezien de juf vervolgens meteen de slagboom opende, waren zoonlief en ik met de auto voor alle zekerheid al boven bij de uitgang voordat manlief – die de portemonnee had – kon instappen. Hij was daar iets minder over te spreken dan wij, maar uiteindelijk kwam het toch allemaal goed.

Op de terugweg hebben we nog een korte stop gemaakt bij de Media Markt, op zoek naar een Bluetooth-splitter om niet de geijkte één, maar twéé Bluetooth-koptelefoons aan te kunnen sluiten op de televisie. Het bestaat, zeker weten, alleen nog niet in die mate dat het volop in de winkels ligt. We zoeken verder, en tot die tijd ‘behelpen’ we ons gewoon met de analoge snoer-koptelefoons als we naar onze dagelijkse portie Midsomer Murders kijken. Daar zijn we namelijk een beetje aan verslaafd, de laatste tijd. Het kijkt niet al te moeilijk, en het verhaal slaat meestal nergens op, maar de heerlijke sfeerbeelden van het Engelse platteland maken dat allemaal ruimschoots goed. En er zijn héél veel afleveringen van gemaakt, wat ook wel fijn is als je op het Griekse platteland overwintert en ’s avonds weinig ander vermaak hebt dan de televisie.

Zoonlief is inmiddels weer in NL, en wij hebben ons saaie winterleven hervat. Met gelukkig nog steeds veel zonnige momenten, gezellige Griekse lessen en heel veel tv-plezier dankzij de super slimme Chief Inspector Barnaby 😉

♥♥♥♥♥

 

Klik op de foto’s voor een grotere afbeelding.

Dubbelleven

De column van vandaag gaat niet echt interessant voor u worden, vrees ik. Ik zit namelijk volop in mijn fictieve boekwereld, wat betekent dat de echte wereld voor een groot deel aan mij voorbijgaat. Dus als u mij nog niet zo goed kent en hier een rasechte Pilion-column verwacht: sorry, ik schrijf momenteel het eerste deel van de feelgood-trilogie De Rozen van Beekbrugge, een roman die in juni 2018 zal uitkomen bij uitgeverij HarperCollins Holland, en ik ben daarmee zo druk dat mijn Griekse en sociale leven al een poosje grotendeels stilstaat. Zo gaat dat bij schrijvers, of in ieder geval bij mij.

Dat het vandaag 1 september is weet ik alleen omdat ik mijn deadline van 31 oktober scherp in de gaten houd, maar welke dag van de week het is moest ik even nakijken. Werkdagen en weekenden vloeien in elkaar over, want in mijn hoofd ben ik nu constant bezig om de plot uit te werken. Als ik ‘s nachts wakker word, begin ik in gedachten meteen weer scènes te analyseren en te herschrijven, en ja, dan komen tot mijn afschuw ook de twijfels. Twijfels of de plot wel logisch is, de karakters niet te oppervlakkig, de stijl niet te ouderwets, het verhaal wel spannend genoeg… afijn, noem het maar op. Gelukkig weet ik inmiddels dat het ‘normaal’ is om in deze fase van het boek zo te twijfelen. Ik heb al genoeg romans geschreven om het te herkennen, maar feit blijft dat het me steeds weer overkomt, dat moment dat ik in een vlaag van frustratie op de delete-knop wil drukken en met een deken over mijn hoofd een potje op de bank wil gaan zitten janken. Het is het moment waarop ik schrijven haat, want het confronteert me gigantisch met het ‘niet-goed-genoeg’-stemmetje in mijn hoofd waartegen ik al mijn hele leven op moet boksen. En als dat stemmetje maar hard genoeg roept, dan zijn alle successen die het tegendeel bewijzen niet in staat om het tot zwijgen te brengen.

Ik moet daar helaas ‘gewoon’ doorheen, en daar ben ik nu driftig mee bezig. Hoe sneller hoe beter, want pas als het verhaal eenmaal geschreven is, kan ik opgelucht achterover gaan zitten en mijn ‘andere ik’ vragen het zo objectief mogelijk te lezen. Dat is trouwens ook een zenuwslopende fase, hoor, want mijn andere ik neemt geen blad voor de mond. Ze is een echte Vlaardingse, recht voor zijn raap. Op het botte af, zal ik maar zeggen. Ze schrapt, herschrijft en schrapt weer, net zolang tot het manuscript een vorm heeft gekregen waarmee we allebei tevreden kunnen zijn. Tevreden, ja, want een ‘niet-goed-genoeg’-persoon zal van zichzelf nooit roepen dat het fantastisch is. Het kan immers altijd beter.

Kortom, dit is niet het juiste moment voor mij om een gezellige Grieks getinte column voor u te schrijven. Wat niet wegneemt dat het Griekse leven om mij heen natuurlijk gewoon doorgaat. De extreme hitte is sinds deze week eindelijk verdreven met een giga onweers- en regenbui, die gepaard ging met langdurige stroomuitval en meerdere lekkages in ons huisje. Dat laatste gebeurt nu eenmaal in een eenvoudig Grieks huis dat al meer dan vijftig jaar de elementen trotseert. Daar kun je boos om worden, maar je kunt er ook een paar dweilen bij pakken en teiltjes eronder zetten. Zo vaak hebben we dat soort regenbuien niet, dus die enkele keer dat het nodig is, pas je gewoon de ‘Griekse oplossing’ toe. Wie regelmatig in Griekenland komt, snapt ongetwijfeld wat ik daarmee bedoel.

Ik heb trouwens tijdens die warme maanden tussen het schrijven door wel kans gezien om een oplossing te bedenken voor de voorkant van onze keukenkastjes. Ik wilde daar al maanden graag iets vóór hebben, zodat de pannen en keukenapparaten niet zo open-en-bloot te kijk staan als we ze niet gebruiken, maar dat bleek dus een echte hersenkraker te zijn. Ten eerste omdat manlief geen enkel bezwaar had tegen open-en-bloot, en ten tweede omdat de keuken een simpele, maar toch wel robuuste uitstraling heeft, waarbij gordijntjes – de oorspronkelijk opzet – totaal niet pasten. Bij zo’n impasse moet je het gewoon een tijdje laten sudderen, en blijkbaar waren de hoge zomertemperaturen daarvoor zeer geschikt, want deze week wist ik het ineens: er moesten van die bamboe-achtige rolgordijntjes voor komen. U weet wel, van die naturelkleurige nephouten lattengordijntjes.

Manlief was het er na enig heen en weer gepraat ook mee eens, en beloofde ze gisteren mee te brengen uit Volos. Ik was best wel nieuwsgierig of het zou lukken, dus informeerde meteen bij zijn thuiskomst of hij ze had meegebracht. Helaas niet, was het antwoord. Hij was het helemaal vergeten. Ach ja, dat kan gebeuren als je een bepaalde leeftijd hebt bereikt, nietwaar? Maar goed, hij komt regelmatig in Volos, dus wat in het vat zit… Ik gaf hem een troostende zoen, rende weer terug naar mijn werkkamer en ging snel verder met waar ik mee bezig was: schrijven.

Nu heeft mijn werkkamer ramen die uitkijken op de brommer van manlief. Ik werp regelmatig een blik uit het raam als ik aan het schrijven ben. Dan denk ik na over een zin of het verloop van een scène. En om u een treffend voorbeeld te geven van die twee werelden waarin ik momenteel vertoef: de hele middag hebben naast die brommer, pal in mijn gezichtsveld, drie rolgordijntjes gestaan. Ik heb ernaar gekeken, ik moet ze ‘gezien’ hebben, maar ik zag ze dus werkelijk niet. Pas aan het eind van de middag, toen ik mijn werk afsloot en langzaam weer naar de ‘echte wereld’ terugkeerde, registreerde mijn brein pas waarnaar ik al die tijd had gekeken: de bewuste rolgordijntjes.

Ik moet eerlijk bekennen, dat ik zelf niet zo’n last heb van dat gehop tussen die twee werelden, hoewel ik snap dat het voor de wederhelft en buitenstaanders soms moeilijk te begrijpen is. Zo bont als een collega van mij het tijdens het schrijven maakte – die stopte een slipper in de oven in plaats van een stokbroodje – heb ik het nooit gemaakt. Maar dat komt misschien wel omdat ik niet hoef te koken, dat doet manlief. Hoewel ik in mijn huidige andere wereld inmiddels een echte keukenprinses ben, die haar hand niet omdraait voor een bakblik vol peer-en-roquefort-quichjes. Dat krijg je als je van je hoofdpersoon een cateraar maakt, die regelmatig met spannende recepten op de proppen moet komen. Ik weet bijvoorbeeld precies hoe je fluweelpootjes bereidt en…

Afijn, ik zei het al in het begin, ik heb deze maand echt niets interessants te melden 😉

♥♥♥♥♥