
‘We hebben achter gezinsuitbreiding,’ zei manlief in april, een paar dagen nadat we van onze reis naar Nederland waren teruggekeerd. ‘In een kist onder de werkbank. De mama is erg beschermend, dus ik kan het nog niet zo heel goed zien, maar volgens mij zijn het er twee.’
Ik dacht nog even dat hij een verlate 1-aprilgrap met me uithaalde, (hij had me al eens in de maling genomen met een dergelijke aankondiging), maar nee, dit keer was het echt. De grijs-witte poes uit het laatste ongeplande nestje van de buren had goed gebruik gemaakt van de rust die onze afwezigheid met zich meebracht, en zich met haar twee pasgeboren kittens uitgebreid geïnstalleerd op een stapel zeildoek in een van de kratten. Hoewel ze zelf nog erg jong was, hooguit tien maanden schatte ik haar, mankeerde er aan haar moederinstinct helemaal niets. Zodra wie dan ook maar in de buurt kwam van de krat, begon ze fel te blazen en te grommen, een boodschap die door de andere bij ons rondlopende en mee-etende buurkatten al snel begrepen werd. De kersverse mama verdedigde haar zelfgekozen territorium vol overgave, stond met haar neus vooraan als wij ’s ochtends de keukenluiken opendeden om de voerbakjes buiten te zetten en kreeg zelfs de al jaren trouwe Tijger, Luna en Mickey zover dat die van ellende maar elders hun proviand gingen halen.
Na een aantal weken werd de kraamkrat verwisseld voor een plekje onder de vlonder van de houtopslag en konden we ze wat beter zien. De een bleek pikzwart te zijn, de andere zwart-wit, en als vader gokken wij op Mickey, de enige kater die van mama in de buurt mocht komen. Maar groter wordende poezenkindertjes moeten ook opgevoed worden, en mama had het er maar druk mee. Dat weet ik omdat ik in de afgelopen weken een aantal keren een aangevreten grote muis bij de werkplaats vond en recentelijk mama op weg naar achteren betrapte met een hagedis in haar bek. Dat klinkt misschien wat cru, maar het betekent wel dat ze haar kindertjes in ieder geval leert om te jagen, zodat ze niet klakkeloos afhankelijk zijn van de dagelijks geopende kattensnackbar van de familie Hollander.
De kleintjes, door mij (Black) Beauty en de Beast genoemd, hebben die snackbar inmiddels zelf ook ontdekt. Via een omgekeerde plastic teil en de butagascontainer klimmen ze met een noodgang op de vensterbank zodra daar een bakje met brokjes of vlees verschijnt. Als mama en Mickey al aan het eten zijn, duwen ze hun kleine koppies brutaalweg onder hun poten door in de bakjes en schrokken ze alles wat daarin ligt met een noodgang naar binnen. Je ziet ze dan ook met de dag groter worden en hoewel we ze nog steeds niet mogen aanraken, zijn ze al wel minder schuw geworden.
Vorige week brak de volgende fase aan: mama vond dat de kleintjes groot genoeg waren om de rest van de wereld te verkennen, en is met kroost en al van de achterkant naar de voorkant van het huis verhuisd. Dit tot grote verwarring van onze eigen Krumpie en Katinka, die van het gedoe achter weliswaar op de hoogte waren, maar niet hadden verwacht dat het kersverse gezin ‘hun’ tuin zou claimen alsof het alle recht heeft om zich daar te bevinden. Het zorgt dus af en toe voor flink wat herrie, want met name Katinka is het er nog niet zo mee eens. Krumpie ook niet, maar die rent gewoon snel terug naar binnen als ze mama en de kleintjes pontificaal op het terras ziet liggen. Katinka daarentegen blijft stokstijf staan en maakt zich meteen dik en druk. En gelijk heeft ze, want vreemdelingen in de tuin moeten natuurlijk wel weten wie de baas is!
De kleintjes trekken zich er vooralsnog niet veel van aan. Zo’n weelderig groene zomertuin is na de maanden in de kale werkplaats alleen maar heel leuk en spannend. Bomen worden nog wat onhandig beklommen, vlinders en krekels huppelend achternagezeten en bloemetjes en bijtjes nieuwgierig besnuffeld. Uiteraard worden ze steeds ondernemender en trekken ze er vaker alleen of met z’n tweetjes op uit. Vooral het zwart-witte poezenkind heeft zo te zien een aardig rebels karakter. Ik denk dan ook dat die binnenkort zelfstandig de wijde wereld in trekt, op zoek naar een eigen plekje onder de Griekse zon.
Het was leuk om weer eens van dichtbij mee te maken hoe een mama-poes haar kindertjes grootbrengt, maar we voelen geen enkele behoefte om dit gezinnetje voor vast in ons huishouden op te nemen. Buitenkatten moeten er nu eenmaal ook zijn in onze landelijke omgeving, en goede jagers zijn zeker geen overbodige luxe. Vorige week nog hoorde ik een vreemd geritsel in de druivenrank boven onze zithoek. Het verplaatste zich vrij snel van het midden van de pergola naar de buitenrand en opeens plofte er iets naast me op het terras. Nu ben ik niet snel bang, maar als er ineens een kleine slang of – waarschijnlijker – een ringworm uit de druivenrank komt vallen, maak ook ik wel een sprongetje van schrik. In dit geval schrok het beestje net zo hard als ik, want met een noodgang verdween hij in het bloemenperkje.
Kijk, en op zo’n moment ben ik dus heel blij met onze katten, want Krumpie ging er meteen achteraan. Niet dat ze hem te pakken had, want aan haar bewegingen te zien verdween het beest al snel in de struiken achter in de tuin, maar toch, ze zat hem wel op de hielen. Nu mama-poes en haar twee kleintjes zich ook regelmatig in de tuin bevinden, ben ik er eigenlijk wel zeker van dat we niet nog een keer bezoek zullen krijgen van zo’n wriemelend glad beest in de pergola. En als die drie nieuwelingen dan ook nog eens heel snel een massamoord aanrichten onder de honderden krijsende krekels bij ons in de tuin, dan mogen ze van mij daar de komende jaren gewoon blijven wonen… 😉

De eerste mei is behalve de alom bekende Dag van de Arbeid hier in Griekenland vooral ‘Bloemetjesplukdag’. Het is de dag waarop Grieken de natuur in trekken, bloemenkransen maken en er vervolgens de deuren van hun huizen mee versieren. Een traditionele en feestelijke ode aan de lente, waar iedereen na de lange wintermaanden echt aan toe is. Aan de lente, bedoel ik. De ode eraan valt vandaag helaas letterlijk in het water, want vanaf gisteravond regent het. Bij vlagen zo hard, dat ik er afgelopen nacht een aantal keren van wakker ben geworden.
Ons schiereiland kent een lange geschiedenis. Zo kun je in het Archeologisch Museum in Volos opgegraven potten en pannen bekijken die uit het Neolithische tijdperk stammen. Dan praten we over zo’n 12.000 jaar voor Christus! Toen liepen er hier dus al mensen rond! In de 7e eeuw voor Christus kregen die eerste bewoners volgens de overleveringen gezelschap van de Olympische goden, die hier hun vakantie doorbrachten. En de wijze centaur Chiron, een beroemde figuur uit de Griekse mythologie, had hier zijn perfecte woonstek gevonden: een grot die zich in de nabijheid van het kalderimi-pad van Kala Nera naar Milies bevindt en nog steeds te bezoeken is.