Een nieuw seizoen

Het is bijna niet te geloven, maar wij zijn deze maand aan ons vijftiende jaar in Pilion begonnen. Leven in een ander land is niet altijd makkelijk. Het betekent uiteraard dat je je eigen plekje moet zien te vinden in een andere cultuur – wat niet per se betekent dat je daarbij je eigen roots maar gewoon moet vergeten. Integendeel, zou ik haast zeggen. Ik heb dankzij het internet afgelopen zaterdag gigantisch zitten smullen van de koninklijke Koningsdag-viering in Amersfoort, iets wat ik waarschijnlijk niet had gedaan als ik nog in Nederland had gewoond. Dan had ik hoogstwaarschijnlijk bij de Wannebiezz op het Veerplein in Vlaardingen gestaan met een koud biertje in mijn hand. Nu, ver van het ‘thuisland’, vond ik het heerlijk om languit voor de buis te hangen. Wat hebben wij toch een ontzettend leuk koningshuis als je dat vergelijkt met dat van andere landen. Zo spontaan, zo dicht bij het volk, dat is toch wel een unicum in deze wereld.

Nou ja, dat vind ik, maar misschien ben ik een beetje bevooroordeeld. Ik kom nu eenmaal uit een Oranje-gezind gezin, waar het traditionele Soestdijk-defilé op de zwart-wit televisie ieder jaar opnieuw bekeken werd onder het nuttigen van koffie met een oranjetompoes van de Hema. Daarna aten we witbrood met verse paling die mijn vader ondertussen bij vishandel ’t Hoogertje in het Vlaardingse centrum had gehaald. Pa was namelijk ook wel pro-Oranje, maar niet dusdanig dat hij urenlang naar ‘dat gedoe’ ging zitten staren. Achteraf verdenk ik hem ervan dat hij die palingtraditie zelf heeft bedacht om aan het ‘kastje kijken’ te ontsnappen, maar zolang hij maar op tijd met die paling terugkwam, vonden wij thuisblijvers dat geen enkel probleem. Paling en de oranjetompoes heb ik dit jaar moeten missen, maar twee jaar geleden was ik heel toevallig wel op Koningsdag in Nederland. Hoe leuk is dat, als je na al die jaren zo’n ouderwets feest in een nieuw jasje weer eens mee mag maken. De braderie, de kermis, de vrijmarkt, de terrasjes, de paling en de tompoes… Ik heb ervan genoten. Misschien wel dubbel, omdat ik het niet meer elk jaar meemaak. Het is nu eenmaal een unieke feestdag in het Nederlandse leven, zo’n dag waarop je je ook in het buitenland even heel erg ‘Nederlands’ wilt voelen, al is het dan maar vanachter je laptop op een zonnig terrasje onder de nog niet zo heel erg dik bebladerde druivenranken.

Dit jaar viel Koningsdag op de zaterdag voor het Griekse paasfeest. Terwijl ik digitaal in Amersfoort vertoefde, waren mijn buren druk bezig met het voorbereiden van de paasbarbecue en de andere feestelijkheden die ’s nachts om twaalf uur in de kerk beginnen met het verspreiden van ‘Het Licht’. De Papa – zo wordt de Griekse priester genoemd –  komt dan vanachter het altaar de donkere kerk in met een grote kaars, aangestoken door de heilige vlam die vanuit Jeruzalem ingevlogen wordt. Degenen die vooraan in de kerk staan, steken hun meegebrachte kaarsje aan die grote kaars aan, waarna het licht wordt doorgegeven aan iedereen die in de kerk en op het kerkplein aanwezig is. Dit alles gaat gepaard met het afsteken van vuurwerk, het knallen van rotjes en het elkaar ‘Xristos Anesti’ – Christus is opgestaan! – toe roepen. Totaal anders dus dan de paasdiensten die ik vroeger op zondagochtend in onze kerk meemaakte. Het enige wat me daarvan is bijgebleven is het ingetogen en vooral níét jubelend gezongen: ‘Daar juicht een toon, daar klinkt een stem die galmt door gans’ Jeruzalem.’ Ach ja, ’s lands wijs, ’s lands eer…

Het Griekse paasfeest is een echte belevenis, en heb je de kans om het een keer mee te maken, dan kan ik dat zeker aanraden, of je nu wel of niet gelovig bent. Natuurlijk staat de kerk centraal in de viering, maar zodra dat ‘gebeurd’ is, en er door de kerkgangers na afloop van de dienst thuis de traditionele longsoep ter afsluiting van de vastenperiode is gegeten, begint op zondagochtend al vroeg het grote feest. Samen met familie en vrienden wordt er de hele dag door gegeten, gedronken, gedanst en gekletst, traditioneel met een lammetje of geit aan het spit in de tuin, op straat of op het balkon. Een belangrijke feestdag dus voor de Grieken, en voor hen echt vele malen belangrijker dan ‘onze’ Kerst. Behalve de drukte in de kerk en de keuken, begint ook de drukte op de wegen al in de dagen ervoor, want het mooiste paasfeest vier je natuurlijk met je familie in je geboortedorp, en aangezien Griekse families vaak honderden kilometers uit elkaar wonen, is het in de week voor Pasen altijd een heel gedoe van zich van hot naar her verplaatsende Grieken. Ook in ons dorpje was het in dit afgelopen weekend weer gezellig druk met al die feestende families om ons heen, maar ik moet eerlijk bekennen dat het een beetje langs ons heen is gegaan. Zo’n Grieks paasfeest is best heel leuk om een keer mee te maken, maar aangezien wij niet zo kerks zijn, en ook niet echt genieten van al die onschuldige lammetjes en geiten aan het spit, houden wij het meestal maar gewoon bij een paasbrunch met zijn tweetjes op ons eigen terras. En dat was ook deze keer weer helemaal geslaagd met een zeer uitgebreid Engels roerei-met-spek-en-worstjes-ontbijt, inclusief verse fruitsalade, een Franse kaas-plankje en een zelfgebakken Paastulband. Heerlijk vind ik dat, en we hadden de rest van de dag geen enkele behoefte aan nog een andere maaltijd.

Tweede Paasdag hebben we wel gezellig een tsipourootje gedaan bij To Balconi, de ouzeri van Apostoli aan het eind van de boulevard in Kato Gatzea. Het zonnetje scheen, het uitzicht over de Golf was weer prachtig mooi, en de mezes, de hapjes bij de tsipouro, waren heerlijk. Toen we daarna voldaan naar huis slenterden, zagen we op een van de andere terrasjes ineens twee Nederlandse vrienden, met wie we een heerlijke frappé hebben gedronken tijdens het uitgebreid bijkletsen. En later die middag stond er plotseling een in Volos wonende Nederlandse vriendin met haar zoon voor ons tuinhek. Zo leuk, het was al twee jaar geleden dat we elkaar hadden ontmoet, maar we gingen gewoon weer verder waar we toen waren gebleven. Kortom, een supergezellige dag met onverwachte, spontane ontmoetingen. En daar kan ik dus heel erg van genieten na het maandenlange gedisciplineerde schrijfwerk.

Vandaag keert de rust langzaam weer terug in het dorp, al blijft het de hele week wat drukker dan hiervoor. Familie en vrienden knopen vaak een aantal vakantiedagen aan hun Paasbezoek vast, zoals wij dat gewend zijn in de kerstvakantie. In de grote stad is het rustig, sommige kleinere winkels zijn ‘wegens vakantie’ gesloten, de openbare instanties draaien op halve kracht. En gezien het trage tempo waarin het hier normaal al draait, kun je nu beter even een weekje wachten als je iets officieels gedaan moet krijgen. Dat zijn zo van die dingen die je leert als je hier al zo’n vijftien jaar woont. De lange zomer is in aantocht, dat is overal te merken. Toeristen duiken alweer op met hun camper of tent op de nabijgelegen camping vanwege de Noord-Europese meivakantie en de vaste gepensioneerde Nederlandse zomergasten druppelen zachtjesaan de Pilion weer binnen voor hun maandenlange verblijf in het gastvrije Griekenland. Voor ons betekent dit het einde van een periode waarin we met onze Griekse dorpsgenoten heerlijk hebben genoten van een gelukkig rustige winter zonder al te veel sneeuw-ellende en andere rampspoeden. Onze lange winterslaap is voorbij, ook wij worden langzaam weer actief, en ik verheug me op het weerzien met vrienden en bekenden die hier hun vakantie komen doorbrengen. Ondanks dat vervult het afscheid van de winter me toch altijd ook met een klein beetje weemoed. Wij vinden die rustige Griekse winters in ons kleine kustdorpje heerlijk, en hebben ons geen moment verveeld, al kan ik me heel goed voorstellen dat anderen er gillend gek van worden. Gelukkig maar, denk ik dan stiekem, want zo blijven ónze winters tenminste lekker rustig… 😉

♥♥♥♥♥

Droomleven

Afgelopen week zag ik een aankondiging van de Friends of the Kalderimis voorbijkomen waarin stond dat er samen met een bevriende organisatie uit Platania een groepswandeling zou plaatsvinden met startpunt Kato Gatzea. Een niet al te lange rondwandeling van Kato naar Ano Gatzea, met een bezoekje aan het Olijvenmuseum, dat naast het stationnetje van het beroemde Pilion-treintje ligt. Geen onbekende bestemming voor mij, want het pad naar Ano Gatzea gaat via de olijfgaard waar ik op mijn eigen wandelingetjes regelmatig te vinden ben. Maar voor een groepswandeling ‘in mijn achtertuin’ ben ik altijd wel te vinden, al was het alleen al om weer eens uitgebreid bij te kletsen met bekenden uit andere delen van Pilion. Dus meldde ik me meteen aan, en stond ik op zaterdagochtend om elf uur op de parkeerplaats van het Kato Gatzea-strand, in vrolijke afwachting van wie er dit keer zouden komen opdagen.

Een kwartiertje later vertrokken we richting de olijfgaard met een groepje van zo’n twaalf wandelaars, waarvan ik er slechts drie kende. Geen probleem, want gedurende de wandeling was er genoeg gelegenheid om kennis te maken, dat is het leuke van zo’n kleine groep. Punt is alleen dat ik niet goed ben in tegelijkertijd praten en een berg op lopen, dus dat kletsen moest ik na de eerste gezellige kilometer even uitstellen tot een later tijdstip. We waren inmiddels aangekomen bij de kerk van Ano Gatzea, en als ik eerlijk ben, vind ik dat altijd al een aardige prestatie van mezelf, want het laatste stukje van het kalderimi-pad naar de kerk is echt behoorlijk steil. Maar goed, dat is even kort en heftig, en dat red ik nog wel zonder al te vaak amechtig hijgend tegen een muur te hangen. Echte problemen heb ik echter met een ‘vals plat’: zo’n weg die gestadig maar langdurig omhoog gaat. Dat dateert al uit mijn kindertijd en heeft alles te maken met een zeer kleine longinhoud. Met een aangepaste ademhalingstherapie kom ik tegenwoordig aardig ver, maar niet – zoals ik al heel snel merkte – wanneer ik de hele winter grotendeels achter mijn bureau heb gezeten en daardoor maandenlang weinig steile paadjes heb gelopen.

De wandeling vanaf de kerk naar het stationnetje kan op twee manieren: steil en heftig, of lang en gestadig, en onze groep nam fluitend de tweede optie. Ik dus ook, maar dat fluiten zat er niet in. Integendeel. Na een paar honderd meter waren de anderen al uit mijn gezichtsveld verdwenen en zat ik in mijn uppie om de tien meter op een muurtje om mijn hartslag, bloeddruk en ademhaling tot bedaren te laten komen, de enige manier voor mij om uiteindelijk boven te geraken. Nu ben ik het wel gewend om tijdens een steile groepswandeling de eenzame hekkensluiter te zijn. Ik kom heus wel boven, al kan het weleens wat langer duren. Het nadeel van dit pad was echter dat het een paar vertakkingen heeft, en hoewel ik de omgeving aardig ken en dus wel weet waar het stationnetje zo ongeveer ligt, loop ik dit bewuste pad niet zo vaak, juist vanwege mijn ‘probleempje’. Ik had geen idee hoe de anderen waren gelopen, en of ze mijn afwezigheid al hadden bemerkt. Na enig dubben besloot ik maar gewoon mijn eigen pad te lopen in de hoop dat ik de aansluiting met de groep op het stationnetje terug zou vinden.

Op het stationnetje bevonden zich echter alleen een paar spelende kinderen. Dan maar door naar het museum, want misschien waren mijn wandelaars daar al aan het rondkijken. Maar nee, zei de jongen bij de ingang, de groep was nog niet gearriveerd. Terug op het station besloot ik eerst maar eens een koffie te bestellen en daarna te proberen telefonisch contact te maken met degene waar ik me had opgegeven. Ja, sorry, ik ben nog van de generatie zonder altijd een mobiel op zak. Een jonger iemand zou dat ding waarschijnlijk al veel eerder tevoorschijn hebben gehaald, maar dat idee komt bij mij dus pas veel later op. Nu is het bereik in de bergen niet altijd even goed, dus ondanks een paar keer proberen op diverse plekken bleef een aardige juffrouw mij vertellen dat degene aan de andere kant niet te bereiken was. Inmiddels was de koffie klaar, en zie… net op het moment dat ik mij aan een tafeltje wilde neervlijen, zag ik over de rails een aantal mensen naderen, die mij enthousiast en totaal niet verbaasd begroetten. Ze waren er gewoon van uitgegaan dat ik op eigen gelegenheid en in mijn eigen tempo het station wel zou bereiken. Wat dus ook zo was…

Na de koffiepauze die op z’n Grieks heerlijk lang duurde, brachten we met zijn allen een bezoekje aan het Olijvenmuseum. Dat is gevestigd in een traditioneel Pilion-huis, en heeft eigenlijk maar één zaal. Blikvangers zijn zonder meer de twee grote houten olijventonnen, en daarnaast zijn er nog wat andere relikwieën die laten zien hoe het er tijdens de olijvenoogst eeuwenlang aan toe is gegaan. Ik was er al eens eerder geweest, tijdens een Full Moonconcert dat gegeven werd in het kleine open luchttheater grenzend aan de binnenplaats met prachtig uitzicht over Kato Gatzea. Ook een van de beroemde Pilion-boogbruggen is vanaf hier goed te zien, dus een bezoekje aan dit piepkleine museum is zeker aan te raden als je een keer in de buurt bent. Toen iedereen uitgekeken was, liepen we over de steile kalderimi richting kerk behoedzaam naar het plein van Ano Gatzea, om vervolgens in langzaam tempo af te dalen naar de kust over dezelfde kalderimi als die waarover we gekomen waren. En nee, zo’n zelfde pad is hier totaal niet saai, want op de terugweg zie je echt weer allemaal andere dingen die je op de heenweg hebt gemist. Terug in ons dorp streken we neer in de taverne Ev Zin, waarbij er volgens goed Grieks gebruik eerst uitgebreid met tafels en stoelen werd gesleept voordat iedereen tot volle tevredenheid zat. De oorspronkelijke groep bleek op raadselachtige wijze inmiddels uitgegroeid te zijn tot een man of twintig en we hebben met zijn allen genoten van een heerlijke maaltijd, weggespoeld met water, wijn en tsipouro. Er waren op deze wandeling sowieso meer Grieken dan buitenlanders, dus mijn Grieks is er weer met sprongen op vooruitgegaan.

En nu is het maandag en mag ik naar aanleiding van de feedback van de redactie volop aan de bak met het corrigeren en herschrijven van het derde deel van De Rozen van Beekbrugge. De eerste ruwe versie van een manuscript is net een schilderij. Veelal breng je pas later de extra nuances aan: hier nog een likje sfeerbeschrijving, daar een toefje nadruk op een gebeurtenis, verderop een wat minder heftige dialoog… Dat soort dingen. En ja, soms verdwijnt een hele scène uit het manuscript omdat hij toch niet zo blijkt te werken als je had verwacht. De komende weken ben ik dus weer veelal achter de laptop te vinden – met een beetje geluk buiten op mijn terras in het zonnetje. Oftewel: het leven van deze Hollandse schrijfster in Pilion is nog altijd de schrijversdroom die werkelijkheid werd… 😉

Dubbelleven

Het wordt vandaag een korte column ben ik bang. Over twee weken moet ik namelijk mijn manuscript voor het derde deel van de Rozen van Beekbrugge inleveren. En zoals dat bij mij altijd gaat, moeten er nog wel een flink aantal woorden geschreven worden voordat ik de computer met een tevreden zucht kan dichtdoen. Eigenlijk heb ik dus helemaal geen tijd om tussendoor ‘even’ een gezellige maandcolumn in elkaar te draaien. Maar géén column is ook zo raar, dus vandaar dat ik toch maar even een paar woordjes op de website zet.

Veel te vertellen valt er trouwens niet. Het is winter, dus dan gebeurt er hier weinig. Het behoorlijk grillige weer bepaalt onze dagen, wat betekent dat we de ene dag in het zonnetje in de tuin zitten, en de andere dag rillend bij de kachel kruipen omdat het hoost van de regen of zelfs sneeuwt. Het voordeel van onze leeftijd is dat we niet op tijd op ons werk hoeven te zijn, en dat we zelf onze dagindeling kunnen bepalen. Wat een luxe is dat toch, ik kan echt nog steeds zo genieten van die vrijheid! Nou ja, relatieve vrijheid, want dat boek moet wel geschreven worden, natuurlijk. Het fijne van de winter is dat er weinig gebeurt om me af te leiden en dat ik me helemaal kan terugtrekken in mijn fictieve wereld. Niet zo leuk voor manlief, maar die is er inmiddels wel aan gewend.

Gelukkig maar, want het zorgt soms voor wat rare situaties. Zoals afgelopen week, toen ik tegen de avond, aan het eind van mijn werkdag, verwikkeld was in een nogal vervelende scène tussen Emma, mijn hoofdpersoon, en Giovanna, de niet zo heel aardige moeder van de mannelijke hoofdpersoon. Emma voelde zich behoorlijk gekwetst door de kleinerende sneren van Giovanna en hield er een behoorlijk katterig gevoel aan over. Precies op dat moment piepte manlief mij via de telefoon naar het ‘grote huis’, het teken dat ik moet komen eten. Ik schoof dus regelrecht vanuit mijn werk aan tafel, en laten we nou net die avond spruitjes eten. Niet mijn favoriete maaltijd, zal ik maar zeggen. Maar oké, een gegeven paard kijk je niet in de bek, dus ik laadde keurig een paar – zeker wel een stuk of acht – van die groene ballen op mijn bord, tezamen met een half gekookt aardappeltje en de kleinste karbonade, al was die voor mij eigenlijk nog te groot.

In mijn hoofd was ik nog helemaal bezig met Emma en hoe dat nou verder moest nu ze zich zo rottig voelde. Ze zat ook nog eens in Toscane, in het huis van die moeder, wat het allemaal wel ingewikkeld maakte. Door al dat gepieker was ik niet zo spraakzaam als anders, waarop manlief zich na een paar minuten geroepen voelde om het woord te nemen: ‘Ik snap niet waarom ik nog moeite doe om voor jou te koken. Als ik zie hoe weinig jij eet…’ Dat was niet zo’n goeie gespreksopening van hem. Opmerkingen over mijn eetgewoonten zijn namelijk nogal een beetje een heet hangijzer tussen ons. Ik eet inderdaad niet veel, dat is gewoon zo. Ik voel me daar ook best schuldig over, en doe werkelijk altijd mijn best om iets meer te eten dan ik het liefst zou doen. Alleen moet je me dan geen spruiten voorzetten. Witlof trouwens ook niet, of nassi of havermout of… Afijn, ik ben inderdaad een lastige eter, laten we het daar maar op houden.

Normaal gesproken buig ik deemoedig mijn hoofd bij zo’n opmerking: ‘Ja, schat, je hebt helemaal gelijk. Ik ben zo blij dat je me ondanks dat elke avond een heerlijke maaltijd voorzet…’ Maar die avond dus niet. Ik was al aan tafel geschoven met Emma’s katterige gevoel nog in mijn lijf, en van manliefs opmerking werd ik ook niet vrolijk. Daar kwam nog bij dat de snerende opmerkingen van Giovanna aan Emma’s adres ook over eetgewoontes gingen. En aangezien ik nog helemaal in mijn boek zat, moest ik op dat moment dus een dubbele portie negatieve opmerkingen over eetgewoontes verwerken: die van Giovanna en die van manlief. Dat was helaas net even te veel voor me, waardoor manlief onmiddellijk de volle lading van me kreeg. Gelukkig hadden we allebei al snel in de gaten dat Emma nog levensgroot bij ons aan tafel aanwezig was, en dus ben ik na het eten maar even een luchtje gaan scheppen om haar kwijt te raken. Dat is gelukt, en zo werd het die avond toch nog gezellig bij ons thuis.

En hier moeten jullie het vandaag mee doen, want op dit moment staat Emma alweer in mijn nek te hijgen, dus ik ga snel verder met haar verhaal. Met een beetje geluk kunnen jullie dan in september lezen hoe dat nou zat met die eetgewoontes van haar, en of ze het ondanks die vervelende moeder toch nog leuk heeft gehad in Toscane… 😉

♥♥♥♥♥

Hallo zon!

Hoera, de zon is terug! Mijn dag begon vandaag dus in het stralende zonnetje met ontbijtkoffie op het terras. Iets wat ik ‘s ochtends altijd wel doe, weer of geen weer, maar voor het eerst in lange tijd kon het winterjack aan de kapstok blijven hangen en had ik meer dan voldoende aan mijn dikke vest. Sterker nog, na een uurtje had ik zelfs genoeg aan mijn T-shirt. Met korte mouwtjes! Nee, ik overdrijf niet, al vind ik het stiekem natuurlijk wel heel erg leuk om dit even uitgebreid aan jullie te vertellen. Ik weet uiteraard dat er in Nederland op dit moment een aardig laagje sneeuw ligt en dat het behoorlijk koud is. Dus ja, dan zit ik me daar best een beetje om te verkneukelen hier op mijn terras, in mijn T-shirtje met korte mouwtjes.

De wereld ziet er nu eenmaal altijd meteen een stuk vrolijker uit als je met je giechel in de zon kunt zitten, zo simpel is het. En dat hebben we dus heel hard nodig, want we weten allemaal dat het met diezelfde wereld helemaal niet zo best gaat. Wat een zooitje hebben we er met zijn allen toch van gemaakt! En dus moeten we nu ook met zijn allen de schouders eronder zetten om het weer een beetje leefbaar te maken. Ik ben voor, absoluut! Te beginnen met al dat plastic. Ik erger me al jaren aan de hoeveelheid die er in verpakkingen gestopt wordt. Niet alleen vanwege de schade aan het milieu, maar ook omdat ik met de meeste verpakkingen onmiddellijk in een strijd verwikkel raak. Ik kan me niet voorstellen dat ik de enige ben die het zelden lukt om zo’n vacuüm verpakt broodbeleg aan dat kleine puntje in de hoek open te trekken. Bij mij moet er negen van de tien keer een schaar aan te pas komen, en dan nóg! Knip ik er net te weinig af, krijg ik dat plastic velletje er nog steeds niet vanaf. Of ik knip te ver, en dan onthoofd ik meteen alle mooi geschikte plakjes worst! Vreselijk. En dat is nog maar één irritant voorbeeld van de lange lijst.

Ik koop mijn worst dan ook veel liever bij Jorgio van de supermarkt hier in het dorp. Die heeft nog zo’n snijmachine staan, waarmee hij de door mij gewenste tien of twaalf of vijftien plakjes worst netjes afsnijdt waar ik bij sta. Vervolgens wikkelt hij ze in een vetvrij papiertje, doet er een elastiekje omheen en klaar is kees. Ik heb wel erg moeten wennen aan het feit dat hij altijd wil weten hoeveel plakjes ik van iets wil. Ik bestelde gewoon in onsjes. Weet ik veel hoeveel plakjes er in een ons gaan! Dat ligt er toch helemaal aan hoe dik ze gesneden worden? Natuurlijk ben ik er na al die jaren wel aan gewend geraakt, en tegenwoordig denk ik gezellig in plakjes als ik worst wil hebben. Maar ik moet wel altijd aan die eerste tijd terug denken als ik in de zomer een verdwaalde toerist bij de vleeswarentoonbank zie staan, gewikkeld in een heerlijke spraakverwarring met onze Jorgio over onsjes en plakjes. En ja, ook dan heb ik soms dat stiekeme verkneukel-gevoel van vanmorgen…

Trouwens, over ‘verkneukelen’ gesproken… Onlangs las ik in een berichtje van een collega dat ouderwetse woorden – zoals ‘verkneukelen’ – door haar redactrice stelselmatig uit haar manuscript waren verwijderd. Nu kon ik me dat van die redactrice in dit geval wel een beetje begrijpen, omdat het hier om een Young Adult-boek ging, en ikzelf een zestienjarige ook niet zo snel zou laten zeggen dat hij of zij zich stiekem had lopen te verkneukelen. Net zomin als ik een zestigjarige ‘vet cool!’ laat roepen in mijn boeken. Hoewel… dat ligt ook weer aan de bewuste zestigjarige natuurlijk. Ik ken er genoeg die het helemaal niet vreemd zouden vinden om zich op die manier uit te drukken. Maar als mijn redactrice álle ouderwetse woorden uit mijn manuscript zou schrappen omdat ‘de jonge lezers de betekenis van die woorden toch niet meer kennen’…Hm, dat zou mij persoonlijk toch in het verkeerde keelgat schieten.

Een van de voordelen van lezen is namelijk dat het je woordenschat vergroot, of je nu tien, twintig, veertig of zestig jaar oud bent. Zou een van mijn jongere lezers nog nooit van dat woord ‘verkneukelen’ hebben gehoord, dan hoop ik dat hij of zij door het verhaal eromheen de betekenis ervan zal begrijpen. En anders is er toch altijd een woordenboek… of Google. Ik hoor het mijn vader nog zeggen: ‘Het is helemaal niet erg als je iets niet weet, als je maar weet waar je het kunt vinden.’ Nou, dat laatste is nog nooit zo gemakkelijk geweest als tegenwoordig. Even googelen en binnen een paar seconden weet je precies wat je wilt weten. Of… Nee, niet altijd. Als je aan Mr. Google vraagt hoeveel plakjes Mortadella er in een ons zitten, dan geeft hij daar niet echt een duidelijk antwoord op. Dus dat vraag ik dan maar aan Jorgio, die weet namelijk wel wat één plakje weegt. Hij legt dat ene plakje gewoon op de weegschaal en dan zie ik zelf wel hoeveel er nog bij moeten om er een ons van te maken. Zo simpel is het.

Ach ja, iedere schrijfster heeft zo haar eigen taalgebruik en stijl van vertellen, en dat is maar goed ook, want zo is er voor iedereen iets te vinden op de planken van de boekwinkels. Ook in mijn genre. Op negen februari wordt de jaarlijkse Valentijnprijs uitgereikt aan de schrijfster van het door de vakjury uitgeroepen beste romantische boek van 2018. Mijn roman Smaak van Liefde heeft de shortlist daarvoor helaas niet gehaald, maar komt nog wel in aanmerking voor de Valentijn Publieksprijs, die door de lezers bepaald wordt. Iedereen mag online één stem uitbrengen op hun favoriete roman, en jullie voelen hem al aankomen natuurlijk. Mocht je nog niet gestemd hebben op jouw favoriete roman, en geniet je van mijn boeken, dan zou je mij een groot plezier doen als je via deze link een stem zou willen uitbrengen op mijn Smaak van Liefde. Stemmen gaat heel eenvoudig door het invullen van je naam en e-mailadres en het aankruisen van je favoriete boek naar keuze. Let op: de titels staan op alfabetische volgorde, dus je moet wel even doorscrollen naar de S van Smaak van Liefde. Superbedankt alvast voor je moeite, en dat geldt natuurlijk ook voor degenen die al op mij hebben gestemd! Zodra de uitslag bekend is, laat ik het jullie weten.

Al met al is het wel weer een beetje kneuterige column geworden, als ik het zo terug lees. Zo eentje die nergens over gaat en van de hak op de tak springt, maar dat komt natuurlijk door dat vrolijke zonnetje. Daar word ik altijd een beetje springerig van. Vanwege dat gespring en het schrijven van deze column heb ik Emma – de Beekbrugse roos uit deel 3 – vandaag ook noodgedwongen even in de wacht moeten zetten. Niet leuk voor haar, want ze zit net in een spannende scène. Iets met een uitslaande brand en een knappe Italiaan die zo stom is om zich daarmee te bemoeien. De inwoners van Beekbrugge worden ongetwijfeld helemaal gek van de gillende brandweersirenes die nu al 24 uur achter elkaar aan het loeien zijn omdat ik zo nodig eerst deze column voor jullie moest schrijven. Wat betekent dat ik morgen, ondanks het weekend, heel snel terug moet naar Emma en mijn geliefde dorpje om die sirenes tot bedaren te brengen. Geen weekend dus voor mij, maar hé, ik ben de laatste die daarover zal klagen. Ik wil natuurlijk wel zo snel mogelijk weten hoe het verdergaat met Emma. Net als jullie… 😉

♥♥♥♥♥