Onder de druivenranken

Het staat zo jaloersmakend exotisch in mijn biografie: ‘Auteur Wilma Hollander schrijft haar boeken en verhalen onder de druivenranken op haar zonnige terras in het mooie Griekenland…’ Het is de droom van menig schrijver, maar zoals heel veel dromen is de werkelijkheid toch net even anders. Ja, ik schrijf inderdaad regelmatig op mijn terras onder die druivenranken – maar wel met de vliegenmepper en de anti-muggenspray onder handbereik. Over de krijsende zaag van de buurman, de blaffende honden, de krolse katten en de jengelende buurkinderen – en de fluitende buurman niet te vergeten – praten we natuurlijk niet. Dat zou het romantische imago van ‘de Hollandse schrijfster in Pilion’ heel wat minder romantisch maken, nietwaar?

Waar je ook nooit iemand over hoort, is de rotzooi die je van die druivenranken hebt. Zo zijn de tegels eronder in het voorjaar dagelijks bedekt met een groene waas van de neerdalende druivenbloesem. Als je die troep niet onmiddellijk wegveegt en het gaat toevallig waaien, dan is je zithoek meteen toe aan een flinke schoonmaakbeurt. Het is ook aan te raden om in die periode de jonge druiven om de paar weken preventief te sprayen – al dan niet biologisch – om het aanvreten door insecten te voorkomen. Vervolgens komt de zomer eraan, en wordt het bladerdak alsmaar dikker en dikker; heerlijk voor de schaduw, maar niet voor de druiven, want dan krijgen ze geen licht genoeg.

Er moet dus regelmatig een beetje gesnoeid worden, en dat boven je hoofd knippen is best een hele klus. Net als het afval afvoeren, daar ben je ook nog wel even zoet mee. Maar als die druiventrossen dan eenmaal tot volle wasdom zijn gekomen, heb je wel eer van je werk, want zo eind augustus is het romantische effect ervan inderdaad volop aanwezig, dat is waar. Alleen is het tegen die tijd meestal zo heet op dat terras, dat we liever bij de airco zitten dan onder die druivenpracht. Het genieten waar iedereen zo jaloers op is, duurt echt maar even. De ‘troep’ gaat verder, want in de nazomer vallen de niet tot volle wasdom gekomen druifjes – krentjes inmiddels – en masse naar beneden, geholpen door gretige vogels en irritant zoemende wespen, die zich graag tussen de trossen begeven om aan de rijpe druiven te lurken. En ja, natuurlijk happen ook wij in die periode heel wat trossen weg, maar er hangen er altijd zo verschrikkelijk veel, dat krijg je met zijn tweetjes echt niet weggeslikt. Kortom, die romantische druivenranken zijn helemaal niet zo romantisch als iedereen altijd denkt.

Meestal halen we alles wat er zo tegen eind oktober nog hangt in één grote opruimactie weg zonder er iets mee te doen, zo zat zijn we ze tegen die tijd. Maar dit jaar hingen er nog zoveel trossen, en de druiven smaakten zo heerlijk, dat we dat toch wel erg zonde vonden. Dus stroopte manlief de mouwen op, klom met de snoeischaar op de ladder en verzamelde alle nog goed-ogende trossen in een flinke kuip. Snel gezegd, maar geloof me, daar gingen een heleboel uurtjes werk in zitten. Het resultaat was een grote hoop afval, een heleboel zoemende wespen om ons heen en een nieuwsgierige Krumpie die vanaf de dwarsbalken van de druivenpergola nieuwsgierig toekeek. En toen mocht ik aan de slag…

Nooit eerder in mijn toch best avontuurlijke leven kreeg ik de kans om à la Lucille Ball met opgetrokken rokken en op blote voeten in zo’n grote houten kuip ‘druiven te trappelen’. Oké, onze kuip was iets minder groot en niet van hout, maar dat maakte het plezier er niet minder om. Wat een vreemd gevoel is dat wanneer je op die grote berg druiven stapt en je jezelf heel langzaam naar beneden voelt zakken. En dan dat zompige geluid als je je voeten weer omhoog trekt… Een bijzondere, zeer zintuigelijke ervaring, die ik voor geen goud had willen missen, al is een halfuur druiven trappelen best inspannend. En koude voeten krijg je er ook van; die druiven mogen dan zongerijpt zijn, in oktober voel je daar helemaal niks meer van.

Toen ik uitgetrappeld was, heeft manlief met veel geduld de overgebleven prut met de hand gekneed en gezeefd. Er bleef een bruinige soep over, die hij na nog een keer zeven in een grote pan flink door liet koken. Ondertussen werden in een andere pan de weckpotten uitgekookt en na al die werkzaamheden stonden er aan het eind van de dag zo’n tien gevulde weckpotten op het aanrecht om af te koelen.

We hebben ons eerste glaasje sap inmiddels genuttigd en ik begrijp nu helemaal wat er bedoeld wordt als iemand het over een ‘godendrank’ heeft. ‘Alsof er een engeltje over je tong pie… fietst!’ zei mijn vader altijd als hij iets heel erg lekker vond, en ons druivensap ontlokte mij spontaan dezelfde woorden. Je hebt lekker en lekker, maar ons druivensap is nog véél lekkerder! En voor u nu denkt: ‘Hop, even naar Kato Gatzea om te proeven…’ dan kunt u dat vergeten. Na al dat werk en al dat getrappel houden we die godendrank mooi voor onszelf… 😉

♥♥♥

Kerstcolumn 2020

Vrede op aarde, en in de mensen een welbehagen. Dat zongen we vroeger als kind uit volle borst tijdens de middernachtelijke kerstdienst op 24 december, waarna we ons door de kou – o, wat waren die ‘zondagse’ nylonkousen dun! – naar huis repten om bij de mooi opgetuigde kerstboom een stukje kerststol en een kop hete chocolademelk – ugh, dat vieze vel! – te nuttigen, om vervolgens moe maar tevreden in ons warme bed te kruipen. ‘Wat waren ze mooi, die kerstmissen uit onze jeugd,’ zeggen we dromerig, zelfs al weten we diep vanbinnen ook wel dat ze bij lange na niet zo leuk en gezellig waren als we nu zo graag beweren. Dat is namelijk wat tijd voor je doet: scherpe randjes weghalen en terugkijken door een roze gekleurde bril. Ook in mijn jeugd woedden er oorlogen in de wereld, was het grootste deel van de bevolking in het naoorlogse Nederland straatarm, en leefden velen in angst voor de Bom die geheid zou vallen ­– maar of dat voor of na de komst van de Russen en de communisten zou zijn, dat was natuurlijk de grote vraag.

In de jaren erop kwam de welvaart, met als gevolg dat dingen die in mijn jeugd afgedaan werden als Science fiction, nu tot de dagelijkse werkelijkheid behoren. Nooit had ik kunnen denken dat ik, net als mijn helden uit The Thunderbirds en Star Trek, het nog eens heel gewoon zou vinden om een telefoongesprek te voeren waarbij ik de ander op een klein beeldschermpje kan zien. De technologie heeft in mijn ruim zestig levensjaren een spurt gemaakt die werkelijk ongelooflijk is, iets waarover ik me, iedere dag weer, gigantisch kan verbazen. Helaas heeft die vooruitgang ons ook heel veel afgenomen, want anno 2020 verspreiden onvrede en onbehagen zich bijna nog sneller dan het virus. Het is zelfs zo erg dat ik zo langzamerhand bijna terugverlang naar de tijd waarin het ‘kop dicht en doen wat er gezegd wordt!’ heel normaal was. En dat terwijl ik me daar in mijn jeugd heel erg tegen heb afgezet.

Complottheorieën en angstzaaierij zijn van alle tijden. Pandemieën en dodelijke ziektes ook. Zo bezweek mijn opa van moederskant aan de Spaanse griep, mijn oudtante kreeg polio en moest haar leven lang een beenbeugel dragen om zich te kunnen voortbewegen, en zelf overleefde ik als baby ternauwernood kinkhoest. Gelukkig boekte de wetenschap ook op dit gebied vooruitgang en ik weet zeker dat een volgende generatie op ‘corona’ terug zal kijken zoals wij dat nu doen op de pest en de pokken en de cholera, allemaal ziektes die voor ‘donkere tijden’ hebben gezorgd. En juist in die donkere tijden was er altijd dat ene feest dat hoop en licht bracht; het feest van Kerstmis.

Ik vind het heel erg om te horen dat er mensen zijn die vinden dat er dit jaar met Kerstmis niets te vieren valt, alleen omdat ze die kerstdagen op een andere manier moeten doorbrengen dan ze hadden verwacht. Nee, je kunt niet uit eten, en het is beter om nu even niet op ski-vakantie te gaan. En dat feestje met collega’s en vrienden moet minstens een paar maanden uitgesteld worden, en ja, de toekomst van je onderneming is onzeker, en dat ontslag hakt er gigantisch in. Ik snap dat allemaal best, maar tegelijkertijd denk ik: wat zeur je nou? Je hebt een dak boven je hoofd, een kachel die brandt, een douche met warm water. Er is zowaar een financieel vangnet, zelfs als dat minder is dan je zou willen. Je kunt boodschappen doen bij de super, met je gezin spelletjes doen rond de kerstboom, een boek lezen of een Zoom-diner organiseren. Je hoeft niet in de kou naar het front om anderen dood te schieten, je hoeft niet in angst te zitten dat je wordt platgebombardeerd. Je moet alleen thuis blijven en gewoon een paar maanden doen wat je gezegd wordt. Hoe erg is dat nou helemaal?

Kerstmis betekent voor mij nog steeds een feest van hoop en licht. Vrede en welbehagen vind je niet in warenhuizen en verre oorden. Je vindt het in jezelf, wanneer je beseft dat de mens nooit en te nimmer de baas is over het leven. De teugels in handen hebben, controle uitoefenen… Het zijn loze kreten, want in het universum is de mens maar een piepklein stipje, dat uitgeroeid kan worden door een op hol geslagen virus, veroorzaakt door de arrogantie van diezelfde mens. Aan het begin van dit jaar had ik nog hoop dat er een ommekeer zou komen, dat we als mensheid zouden gaan beseffen dat het tijd is om meer respect te hebben voor de aarde waarop we leven omdat we zijn doorgeslagen in onze welvaart en meer kapot maken dan goed voor ons is. Nu, aan het eind van een jaar dat voor velen heel veel verdriet heeft gebracht, weet ik dat die hoop tevergeefs is. Dat ‘men’ ieder ander de schuld geeft, behalve zichzelf. Dat op vakantie gaan belangrijker is dan de verspreiding van het virus tegen te gaan en vooral dat de wereldwijd genomen maatregelen blijkbaar alleen gelden voor anderen.

De naweeën van 2020 zullen heftig zijn en nog jaren doordreunen. Mijn hart gaat uit naar degenen die alles waar ze heel hard voor hebben gewerkt zien instorten, naar degenen die dierbaren te vroeg hebben moeten verliezen, naar degenen die het virus bevochten hebben en niet weten of ze ooit weer degenen zullen zijn die ze waren. Kerstmis 2020 is anders dan anders, dat zal ik niet ontkennen, maar ik hoop dat deze dagen van hoop en licht een ieder – ondanks de onzekere tijden waarin we ons bevinden – toch vrede en welbehagen zullen brengen. Al was het alleen maar in onszelf.

Ik wens jullie allen een mooie kerst en een gelukkig, maar vooral gezond 2021!

♥♥♥♥♥

Zomaar een middag aan zee

Ons dorpje telt een handvol horecagelegenheden die zich allemaal aan de ‘boulevard’ bevinden. Eén daarvan is ouzeri To Balkoni, waar je – de naam zegt het al – op het balkon (of binnen) kunt genieten van tsipouro met hapjes, een simpele Griekse maaltijd of een eenvoudige snack. De zaak behoort toe aan Apostolis, die samen met zijn moeder Elefteria in de keuken staat. Nou ja, hij doet de hapjes, zijn moeder kookt de maaltijden; gewoon thuis in haar huisje met tuin, waarna ze het eten dan in grote pannen met haar rammelende ‘agrotiko’ – een klein vrachtautootje – naar de zaak brengt. Dezelfde agrotiko waarmee Apostolis in de zomer soms zijn vakantievierende klanten na een avondje met wat al te veel tsipouro terugbrengt naar Kala Nera – in de laadbak uiteraard.

Apostolis is wat de Engelsen ‘a character’ noemen. Zijn mekkerende schaterlach werkt zo aanstekelijk dat je binnen no-time mee zit te schateren, al heb je meestal geen enkel idee waarom. Hij heeft een zeer eigen mening, die hij graag mag verkondigen, een hekel aan welke Griekse regering dan ook en de manier waarop hij zijn zaak bestiert is nogal onconventioneel. Het kan zomaar voorkomen dat hij halverwege de avond, terwijl het hele balkon bezet is met klanten, ineens op zijn brommertje stapt en wegrijdt. En dan kan het echt weleens een halfuurtje duren voordat hij terugkeert – meestal met een tas vol brood of een pak suiker of gewoon met helemaal niks. Wilde je toevallig net afrekenen, dan zit er weinig anders op dan geduldig te wachten tot hij terug is, want betalen doe je bij hem. Bij To Balkoni is de klant koning, maar Apostolis is de baas, daar komt het eigenlijk op neer.

Afhankelijk van zijn bui vind je het er beregezellig of bar slecht. De hapjes die hij bij de tsipouro serveert behoren echter tot de betere in onze omgeving, en aangezien een ‘tsipouradiko’ onze favoriete maaltijd is, zijn wij er regelmatig te vinden. In de wintermaanden is de zaak gesloten, omdat Apostolis dan in het buitenland zit. Zo ook deze winter, maar vorige week zag ik tot mijn verrassing dat hij al terug was. Dat kwam goed uit, want ik zou die dag gaan lunchen met een Amerikaanse vriendin. Het was prachtig zonnig weer, warm genoeg om niet op het balkon, maar aan een van de twee blauwe tafeltjes aan zee te zitten. We namen het tafeltje waarvan de vier stoelen wel voorzien waren van zittingen en nipten al snel zeer tevreden aan ons tsipourootje. Een paar minuten later zagen we Apostolis’ moeder aan komen schuifelen, een grote tas met een pan eten erin aan haar arm. De pan werd naar de keuken gebracht, en even daarna kwam Elefteria met een kommetje rijstsoep met lam en wat brood weer naar buiten. Ze wilde aan het tafeltje naast ons gaan zitten, maar omdat daar de stoelzittingen ontbraken, schoof ze maar gezellig bij ons aan.

Weer een paar minuten later kwamen er twee Duitse dames aangewandeld, die wat aarzelend bij het tweede tafeltje bleven staan. Nu heeft Apostolis een zwak voor vrouwen, dus die kwam al met de rieten zittingen aangerend. De dames wilden koffie, en als het kon graag cappuccino. Dat kon, maar het zou even duren voordat het klaar was, zei Apostolis, zeker wel een minuut of tien. Dat vonden de dames helemaal niet erg, daar aan hun tafeltje in het zonnetje, maar ze keken toch wel heel verbaasd toen Apostolis meteen daarna in zijn auto stapte en wegreed. ‘Hij gaat melk halen bij de supermarkt,’ vertrouwde Elefteria ons toe. ‘Voor de cappuccino.’ Het leverde een giechelbui op bij de dames, al werden we allemaal nogal afgeleid door de komst van een viertal stoere Griekse mannen op grote motoren die ze aan de kade naast ons parkeerden. Al kletsend liepen ze het Balkon op – waar nog een paar Engelsen aan de tsipouro zaten – en hoorden daar dat de baas even weg was, maar zo terug zou komen.

De heren waren echter niet voor een kleintje vervaard. Blijkbaar hadden ze hun zinnen gezet op een plekje aan zee, want even later zagen we ze met een tafel en vier stoelen van het balkon af komen en die naast de Duitse dames neerzetten. Vervolgens doken ze de zaak weer in, en tot ieders hilariteit kwamen ze een paar minuten later met een tafelkleedje onder hun arm en een dienblad met water, glazen en een mandje brood weer tevoorschijn. Tegen de tijd dat iedereen zat, kwam Apostolis aanrijden, de achterklep van zijn auto wijd open. Hij sprong eruit, stak zijn duim op naar de Griekse motorrijders en verdween in de keuken om eindelijk de beloofde cappuccino te gaan maken.

Of die smaakte, heb ik niet meegekregen. Zo terugblikkend waren de Duitse dames eigenlijk al vrij snel verdwenen. De Griekse mannen niet. Die bleven heerlijk relaxt met een biertje aan hun tafel in de zon zitten, net als vriendin en ik. We hebben heerlijk gegeten van onze hapjes, en de rijstsoep met lamsvlees van Elefteria smaakte ook prima. Bordjes kwamen er dit keer bij onze lunch in het geheel niet aan te pas. De kom met soep had twee lepels en het broodmandje bevatte genoeg vorkjes om de verschillende hapjes te kunnen prikken. Daar kom je echt een heel eind mee aan zo’n tafeltje in de Griekse zon, al weet ik best dat niet iedereen een op die manier geserveerde maaltijd zal kunnen waarderen. Dat mag, er zijn genoeg andere gelegenheden waar het er heel anders aan toe gaat. Maar of je daar dan net zoveel plezier hebt als bij To Balkoni… Dat betwijfel ik 😉

Yiasou uit Pilion!

Wilma Hollander