Be a Dolly!

‘In a world full of Donalds, be a Dolly!’ Een motto dat ik de afgelopen dagen regelmatig voorbij zag komen op mijn social media pagina’s. En boy, oh, boy, wat een prachtige wereld zou het worden als die gevuld werd met mensen zoals de vrouw die afgelopen week op tachtigjarige leeftijd overleed. Wat zij in die tachtig levensjaren heeft gepresteerd, is voor een gewoon mens nauwelijks te bevatten. Ik vind het al heel wat dat ik in míjn inmiddels zeventig jaar dertien paperbacks en vijftig novelles heb geschreven, maar dat is letterlijk peanuts in vergelijking met wat dat kleine, frêle vrouwtje allemaal tot stand heeft gebracht.

Dat Dolly Parton op muzikaal gebied een levende legende was, is volgens mij wel bij een ieder bekend, zelfs als countrymuziek níét in je favoriete Spotify afspeellijst staat. Wat mezelf betreft: ik ben al vanaf mijn tienerjaren fan van Dolly. En hoewel het begon met haar muziek, was Dolly voor mij eerder een stoer rolmodel dan een zangeres die mooie liedjes zong. De manier waarop zij zich als vrouw staande hield in een maatschappij die ook toen al door ‘Donalds’ werd geregeerd, was – zeker in mijn jeugd – ongeëvenaard. Ik herinner me nog goed een interview met haar waarin ze vertelde dat ze precies wist wat er aan geld binnenkwam en waar het naartoe ging. ‘Het is mijn geld, waar ik heel hard voor werk, dus ik bepaal wat ermee gebeurt en hoe het besteed wordt,’ verklaarde ze. Om er vervolgens aan toe te voegen dat ze speciaal daarvoor in het begin van haar carrière een cursus boekhouden had gedaan en regelmatig over de schouder van haar boekhouder meekeek om te zien of het wel allemaal ging zoals het moest gaan.

Zo was Dolly. Ze hield de touwtjes van haar carrière stevig in handen en deed precies wat ze zelf dacht dat goed was. Ze verdiende er miljoenen mee, geld dat ze rijkelijk investeerde in projecten die in eerste instantie ten goede kwamen aan de regio waar ze geboren was: de Smoky Mountains in Tennessee, een van de armste delen van Amerika. Met haar themapark Dollywood zorgde ze voor werkgelegenheid voor haar familie en vroegere dorpsbewoners, en door het beschikbaar stellen van studiebeurzen en educatieve schoolprogramma’s gaf ze talloze kinderen een goede opleiding – en daarmee de kans op een goede toekomst. En natuurlijk weet iedereen nu ook alles over haar wereldwijde boekenproject waardoor jonge kinderen iedere maand een nieuw boek toegestuurd krijgen en op die manier spelenderwijs leren lezen.

Ach, haar goede daden zijn te veel om op te noemen. Feit is dat ze zich er nooit voor op de (omvangrijke) borst klopte. Integendeel, ze was en bleef in de eerste plaats gewoon ‘Dolly’, het altijd lachende plattelandsmeisje met de unieke zangstem die mooie liedjes kon schrijven en in het openbaar gewaagde grapjes maakte over haar uiterlijk, iets waar niemand anders dan zij mee weg kon komen. Het meest bijzondere is wel dat ze iedereen in zijn of haar waarde liet, ongeacht kleur, overtuiging of geaardheid. Dolly zag altijd het goede in mensen, maar ze liet zich de kaas zeker niet van het brood eten. ‘Oh, I’m certainly not always kind, but I don’t lose my temper, I use it,’ zei ze ooit. Oftewel, ze was niet altijd lief en aardig, maar ze zette haar boosheid bewust in om er haar voordeel mee te doen.

In dat opzicht kan ik nog veel van haar leren. Door de nu al twee maanden onafgebroken hitte is mijn lontje behoorlijk kort geworden, ondanks de dagelijkse valeriaanpil die ik een poosje geleden door een bezorgde manlief aangereikt kreeg. Dat ik voor hem ook maar een doosje heb gekocht moge duidelijk zijn, want het was natuurlijk niet alleen míjn lontje dat met de dag korter werd! Gelukkig duurt het nu niet lang meer voordat de temperaturen weer dragelijk worden. De nazomer begint, en daarmee komt er ongetwijfeld een einde aan die zo makkelijk hoog oplopende irritaties van alledag.

Evenredig aan de dalende temperatuur stijgt ook het energieniveau. Zo werkt het tenminste bij mij wel. En energie is inherent aan bewegen, iets wat gezien mijn fysieke gesteldheid een noodzakelijk iets is. Maar als je vanwege de hitte al weken niet veel verder komt dan een of twee kilometers per dag, dan moet je zo’n eerste energie-uitbarsting natuurlijk niet overdrijven. Een wandeling van zes kilometer inclusief een steil pad met traptreden was dankzij het aangename gezelschap van mijn nicht weliswaar heel gezellig, maar het leverde me wel drie dagen gigantische kuitpijn op. Al doende leert men, zeggen we dan. Of niet. Een beetje hardleers ben ik wel, want de keiharde kuiten waren nog maar nauwelijks genezen, of ik stond me tijdens de Seventies Party van vrienden in Chorto alweer behoorlijk uit te sloven op de dansvloer. Ik dacht nog even dat ik er de volgende dag waarschijnlijk heel veel spijt van zou hebben, maar het opzwepende ‘I will survive’ van Gloria Gaynor had nog precies dezelfde aantrekkingskracht op mij als vijftig jaar geleden. Net als al die andere Golden Hits uit vroeger tijden…

Gelukkig viel het mee. Behalve een wat schorre stem van het luidkeels meebrullen hield ik er verder weinig aan over, wat maar weer eens een bevestiging is van die aloude feestdomper die mij – en vele anderen –  zo vaak parten speelt: ‘De mens lijdt het meest door het lijden dat hij vreest…’ Een uitspraak waarvan Dolly volgens mij nog nooit had gehoord. Of in ieder geval een uitspraak die ze net zo naast zich neerlegde als al het andere wat haar beperkte in het genieten van alles wat het leven haar te bieden had.

Ik heb me voorgenomen de komende tijd weer wat vaker aan Dolly te denken, aan haar wijze levenslessen, haar positieve instelling en haar niet aflatende energie om alles uit het leven te halen wat er te halen valt. Door alle fysieke strubbelingen van de laatste jaren was ik dat eigenlijk een beetje vergeten, maar hey, we kunnen nog lang genoeg oud en versleten zijn, toch? Dus… mocht u mij binnenkort in een strakke glitterjurk, en ‘nipped, tucked en sucked’ op stiletto’s door Kato Gatzea zien paraderen, dan weet u nu hoe dat komt… 😉

♥♥♥

Het grote nietsdoen

‘Augustus is de maand van het grote nietsdoen,’ zei mijn Griekse buurman van een paar huizen verderop, toen we elkaar een paar dagen geleden aan het strand tegenkwamen en even aan de praat raakten. ‘Het is de maand waarin het dagelijks leven tot stilstand komt en we eindelijk kunnen relaxen, een uitgebreid zonnebad kunnen nemen en met vrienden en familie kunnen genieten van de zomer.’

Het klonk best leuk zoals hij het zei, maar het zijn wel allemaal dingen waar ik niet zo goed in ben. Wat waarschijnlijk ook de reden is waarom ik augustus niet zo’n fijne maand vind. Het is meestal zo afschuwelijk heet dat binnen blijven beter is dan buiten zijn, heel veel bedrijven, winkels en kantoren zijn vanwege de massale vakantieperiode wekenlang gesloten, en dan heb ik het nog maar niet over de overvolle wegen en stranden. Ik word daar allemaal niet echt blij of relaxt van. Voor mij is augustus meer een kwestie van ‘overleven’, wat natuurlijk best een beetje triest klinkt als je op een plek ‘uit een reisgids’ woont, zoals een oud-klasgenoot onlangs enthousiast opmerkte bij het zien van een aantal omgevingsfoto’s op mijn facebookpagina. Hij heeft helemaal gelijk, want ons pittoreske vissersdorpje, ingeklemd tussen een blauwe zee en groene bergen, is inderdaad in menige vakantiebrochure terug te vinden. Alleen niet in die van het massatoerisme en populaire all-in vliegvakanties. Nee, ons dorpje vind je alleen terug in gidsen met bestemmingen voor wie op zoek is naar rust en stilte, naar eenvoud en naar authentiek Griekenland. Dat is namelijk wat je hier bij ons vindt. Alleen niet in augustus…

Nee, augustus is niet mijn favoriete maand hier, al moet ik toegeven dat ik er ook weleens anders over heb gedacht. Ik weet namelijk nog heel goed dat onze allereerste kennismaking met Pilion plaatsvond in… jawel: augustus! In 1998 was dat en we hebben hier destijds een topvakantie gehad. Iedere dag zon en temperaturen van boven de veertig graden, het strand pal voor de deur van ons appartement, oude dieselbussen met airconditioning die ons voor een habbekrats over het hele schiereiland vervoerden naar verscholen bergdorpjes met koele pleinen onder grote platanen…  Het zijn prachtige herinneringen aan een vakantie waarin ‘nietsdoen’ inderdaad het belangrijkste onderdeel van ons grote genieten werd.

En druk was het toen ook al. Misschien nog wel drukker dan tegenwoordig, want ik herinner me ook nog heel goed dat je ’s avonds op de boulevard van Kala Nera bijna letterlijk ‘over de hoofden’ kon lopen. De terrassen zaten vol tot diep in de nacht, overal klonk gelach en muziek en de winkels deden goede zaken. Pilion is namelijk van oudsher de plek waar de Grieken zelf hun vakantie doorbrengen, vooral in augustus, de maand van Maria Hemelvaart, de vakanties en het grote nietsdoen. Maar toen kwam de crisis, en jarenlang kwamen er steeds minder vakantiegangers naar ons mooie schiereiland. De Grieken hadden immers geen geld meer om op vakantie te gaan. Ze hadden nog nauwelijks geld om van te leven…

Gelukkig is de Griekse economie de laatste jaren weer een heel klein beetje opgebloeid. Pilion is en blijft voor veel Grieken nog steeds de plek waar ze hun vakantie doorbrengen, al zien we tegenwoordig wel meer buitenlandse toeristen op de Pilionse stranden dan destijds in 1998. In vergelijking met andere Griekse bestemmingen zijn de buitenlanders hier echter nog steeds flink in de minderheid, en ik hoop echt dat dat de komende jaren nog zo blijft. Voor mij ligt de charme van Pilion nu eenmaal juist in dat heerlijk authentieke, eigenwijze en typisch Griekse leven. Dat is namelijk precies wat ons schiereiland zo aantrekkelijk maakt.

Maar… hier wonen of hier op vakantie komen, zijn twee verschillende dingen. Als ik zelf ergens op vakantie ben, ben ik ook heel goed in het nietsdoen. Ik kan een hele middag lang op een terrasje ‘mensjes kijken’ of een boek lezen op het strand. Ik kan urenlange gesprekken hebben met andere vakantiegangers of een regenachtige middag doorbrengen met suffe spelletjes spelen. Daar heb ik allemaal helemaal geen moeite mee. Maar ‘nietsdoen’ in mijn dagelijks leven is een heel andere zaak. Dat zit nu eenmaal niet in mijn systeem, want wie van mijn generatie is, kent ongetwijfeld de uitdrukking: ‘Ledigheid is des duivels oorkussen.’ Met andere woorden: wanneer je lui bent en niet hard werkt, loopt het slecht met je af…

Nu ben ik natuurlijk oud en wijs genoeg om te weten dat een paar uur nietsdoen helemaal geen kwaad kan. Sterker nog, in een maatschappij waar alles en iedereen haast heeft, is een poosje nietsdoen een zeer winstgevend verdienmodel geworden. Meditatie apps en yoga-cursussen zijn niet meer weg te denken uit ons dagelijks leven, en dat allemaal omdat de moderne mens de kunst van het nietsdoen massaal verleerd is. Iedereen dendert gewoon maar door en door, snakkend naar die paar weken vakantie per jaar, het enige moment waarop je legaal en zonder schuldgevoel eindelijk gewoon ‘niets’ mag doen. Precies zoals het overgrote deel van de Grieken dat in de maand augustus doet. Gewoon lekker nietsdoen, uitgebreid zonnebaden en genieten van de zomer.

Ik denk dat manlief en ik na eenentwintig jaar best wel aardig ‘vergriekst’ zijn. Je raakt gewend aan hoe het leven er hier aan toegaat, met alle voor- en nadelen van dien: de onbegrijpelijke bureaucratie, de extreme zomerhitte, de stille winters, de natuurrampen, de enge kriebelbeestjes in de tuin. Het is een totaal ander leven dan wat we in Nederland gewend waren, maar wel een leven waar we van houden. Of geleerd hebben om van te houden. Alleen die hele lange hete augustusmaand met dat massale grote nietsdoen… Daar heb ik toch nog steeds wel heel veel moeite mee😉

Beauty en de Beast

‘We hebben achter gezinsuitbreiding,’ zei manlief in april, een paar dagen nadat we van onze reis naar Nederland waren teruggekeerd. ‘In een kist onder de werkbank. De mama is erg beschermend, dus ik kan het nog niet zo heel goed zien, maar volgens mij zijn het er twee.’

Ik dacht nog even dat hij een verlate 1-aprilgrap met me uithaalde, (hij had me al eens in de maling genomen met een dergelijke aankondiging), maar nee, dit keer was het echt. De grijs-witte poes uit het laatste ongeplande nestje van de buren had goed gebruik gemaakt van de rust die onze afwezigheid met zich meebracht, en zich met haar twee pasgeboren kittens uitgebreid geïnstalleerd op een stapel zeildoek in een van de kratten. Hoewel ze zelf nog erg jong was, hooguit tien maanden schatte ik haar, mankeerde er aan haar moederinstinct helemaal niets. Zodra wie dan ook maar in de buurt kwam van de krat, begon ze fel te blazen en te grommen, een boodschap die door de andere bij ons rondlopende en mee-etende buurkatten al snel begrepen werd. De kersverse mama verdedigde haar zelfgekozen territorium vol overgave, stond met haar neus vooraan als wij ’s ochtends de keukenluiken opendeden om de voerbakjes buiten te zetten en kreeg zelfs de al jaren trouwe Tijger, Luna en Mickey zover dat die van ellende maar elders hun proviand gingen halen.

Na een aantal weken werd de kraamkrat verwisseld voor een plekje onder de vlonder van de houtopslag en konden we ze wat beter zien. De een bleek pikzwart te zijn, de andere zwart-wit, en als vader gokken wij op Mickey, de enige kater die van mama in de buurt mocht komen. Maar groter wordende poezenkindertjes moeten ook opgevoed worden, en mama had het er maar druk mee. Dat weet ik omdat ik in de afgelopen weken een aantal keren een aangevreten grote muis bij de werkplaats vond en recentelijk mama op weg naar achteren betrapte met een hagedis in haar bek. Dat klinkt misschien wat cru, maar het betekent wel dat ze haar kindertjes in ieder geval leert om te jagen, zodat ze niet klakkeloos afhankelijk zijn van de dagelijks geopende kattensnackbar van de familie Hollander.

De kleintjes, door mij (Black) Beauty en de Beast genoemd, hebben die snackbar inmiddels zelf ook ontdekt. Via een omgekeerde plastic teil en de butagascontainer klimmen ze met een noodgang op de vensterbank zodra daar een bakje met brokjes of vlees verschijnt. Als mama en Mickey al aan het eten zijn, duwen ze hun kleine koppies brutaalweg onder hun poten door in de bakjes en schrokken ze alles wat daarin ligt met een noodgang naar binnen. Je ziet ze dan ook met de dag groter worden en hoewel we ze nog steeds niet mogen aanraken, zijn ze al wel minder schuw geworden.

Vorige week brak de volgende fase aan: mama vond dat de kleintjes groot genoeg waren om de rest van de wereld te verkennen, en is met kroost en al van de achterkant naar de voorkant van het huis verhuisd. Dit tot grote verwarring van onze eigen Krumpie en Katinka, die van het gedoe achter weliswaar op de hoogte waren, maar niet hadden verwacht dat het kersverse gezin ‘hun’ tuin zou claimen alsof het alle recht heeft om zich daar te bevinden. Het zorgt dus af en toe voor flink wat herrie, want met name Katinka is het er nog niet zo mee eens. Krumpie ook niet, maar die rent gewoon snel terug naar binnen als ze mama en de kleintjes pontificaal op het terras ziet liggen. Katinka daarentegen blijft stokstijf staan en maakt zich meteen dik en druk. En gelijk heeft ze, want vreemdelingen in de tuin moeten natuurlijk wel weten wie de baas is!

De kleintjes trekken zich er vooralsnog niet veel van aan. Zo’n weelderig groene zomertuin is na de maanden in de kale werkplaats alleen maar heel leuk en spannend. Bomen worden nog wat onhandig beklommen, vlinders en krekels huppelend achternagezeten en bloemetjes en bijtjes nieuwgierig besnuffeld. Uiteraard worden ze steeds ondernemender en trekken ze er vaker alleen of met z’n tweetjes op uit. Vooral het zwart-witte poezenkind heeft zo te zien een aardig rebels karakter. Ik denk dan ook dat die binnenkort zelfstandig de wijde wereld in trekt, op zoek naar een eigen plekje onder de Griekse zon.

Het was leuk om weer eens van dichtbij mee te maken hoe een mama-poes haar kindertjes grootbrengt, maar we voelen geen enkele behoefte om dit gezinnetje voor vast in ons huishouden op te nemen. Buitenkatten moeten er nu eenmaal ook zijn in onze landelijke omgeving, en goede jagers zijn zeker geen overbodige luxe. Vorige week nog hoorde ik een vreemd geritsel in de druivenrank boven onze zithoek. Het verplaatste zich vrij snel van het midden van de pergola naar de buitenrand en opeens plofte er iets naast me op het terras. Nu ben ik niet snel bang, maar als er ineens een kleine slang of – waarschijnlijker – een ringworm uit de druivenrank komt vallen, maak ook ik wel een sprongetje van schrik. In dit geval schrok het beestje net zo hard als ik, want met een noodgang verdween hij in het bloemenperkje.

Kijk, en op zo’n moment ben ik dus heel blij met onze katten, want Krumpie ging er meteen achteraan. Niet dat ze hem te pakken had, want aan haar bewegingen te zien verdween het beest al snel in de struiken achter in de tuin, maar toch, ze zat hem wel op de hielen. Nu mama-poes en haar twee kleintjes zich ook regelmatig in de tuin bevinden, ben ik er eigenlijk wel zeker van dat we niet nog een keer bezoek zullen krijgen van zo’n wriemelend glad beest in de pergola. En als die drie nieuwelingen dan ook nog eens heel snel een massamoord aanrichten onder de honderden krijsende krekels bij ons in de tuin, dan mogen ze van mij daar de komende jaren gewoon blijven wonen… 😉

♥♥♥

Zomer in aantocht

De eerst vijf maanden van het jaar zitten er alweer op. De zomer arriveerde in Nederland eerder dan hier, maar inmiddels beginnen de temperaturen ook in Pilion omhoog te gaan. Vooruitdenkend als wij zijn, hadden wij begin mei al gretig gebruik gemaakt van een aanbieding bij de Lidl (ja, die hebben we hier ook, in Agria!), en een witte partytent aangeschaft voor op het terras. De twee driehoek-zonnedoeken die we daar de afgelopen jaren hadden hangen tegen de in de zomer zeer hoog oplopende temperaturen waren kapotgegaan, dus er moest iets nieuws komen. Dat werd dus de partytent.

Als alternatief voor de driehoeken beviel het uitstekend. Lekker licht, paste precies onder de dakgoot, zat binnen korte tijd in elkaar… We zetten er een paar stoeltjes en een tafeltje in en hadden er een heerlijk zitplekje met uitzicht op de prachtige voorjaarstuin bij. Helaas was het weer in mei nogal wisselvallig. Er vielen ’s nachts nog regelmatig heftige regenbuien, waardoor het aan de randen volgelopen zeil van de partytent ’s ochtends voor flinke douches zorgde. En of het zeil echt bestendig zou zijn tegen de tropische zon van de Griekse zomer… daar hadden wij ook zo onze twijfels over. We zullen er nooit achter komen, want gisternacht raasde een flinke storm over ons dorpje, met als gevolg dat de partytent ’s ochtends geknakt en al in de grote coniferenboog hing.

Gelukkig was de aankoopsom niet zo hoog dat we meteen failliet zijn, dus zo heel erg is het allemaal niet. Behalve dan dat ik mijn lekker lichte ontbijtplekje kwijt ben. Maar manlief heeft al gezegd dat hij de geknakte buizen waarschijnlijk wel kan repareren, en dat hij dan het witte zeil gaat vervangen door hetzelfde groene gaasdoek dat onder de druivenranken voor extra verkoeling zorgt. Wat betekent dat we binnenkort geen witte, maar een groene partytent zullen hebben. Of niet. Want het kan zomaar gebeuren dat we toch weer wat anders verzinnen om de zon van ons zomerterras weg te houden. Maar dat hoort u dan nog wel een keertje.

Verder gaat het bij ons allemaal zo zijn gangetje. In Kala Nera is de inmiddels beroemde ‘Paardendag’ op Hemelvaartsdag – waarop de paarden worden gezegend door de papa en daarna de zee in gaan – weer een goed bezocht evenement geweest. Het betekent ook de opening van het badseizoen, maar ik heb nog niet zoveel zwemmers gezien. In ieder geval niet hier in Kato Gatzea, al heb ik al wel een aantal keren aan een tafeltje op een terras aan zee gezeten. Als ik mijn bijna dagelijkse dorpswandeling maak, strijk ik af en toe even neer bij een vriendinnengroepje uit het dorp, vier dames die regelmatig met elkaar een kopje koffie drinken of tussen de middag een hapje eten bij Skourgias, het restaurant waar een van de dames de scepter zwaait.

Een andere dame heeft een zoon die in Sillicon Valley werkt. Ze woonde  een tijdje in Amerika en spreekt redelijk goed Engels. Als ik er met mijn Grieks niet helemaal uitkom tijdens de gesprekken met het vriendinnengroepje, schiet zij me te hulp. Gelukkig is dat tegenwoordig steeds minder vaak nodig, want ik kan me steeds beter redden met de taal. Vloeiend en echt diepgaand zullen mijn gesprekken wel nooit worden, en als er meer dan drie personen tegelijk met elkaar praten raak ik de draad heel snel kwijt, maar ik kan toch aardig meekletsen in het vriendinnengroepje. En dat is natuurlijk mooi meegenomen.

Vandaag, 1 juni, is het bij ons 2e Pinksterdag. Een lekker lang, relaxed weekend voor de Grieken. De strandjes zien er weer aardig bezet uit, de tavernes zitten vol, en het zomerseizoen begint langzaam vorm te krijgen. Altijd leuk om in deze ‘voorzomer-tijd’ oude bekenden terug te zien of, zoals ik afgelopen week deed, kennis te maken met nieuwe ‘bekenden’, mensen die ken van Facebook. Ze maken een rondreis over het schiereiland en vonden het leuk om met mij in ons dorpje af te spreken. Het werd een hele gezellige ochtend met als extra cadeautje een tas vol Nederlandse damesbladen voor mij! Dat leest zo heerlijk weg in de tuin of op het strand!

Deze week arriveren onze Twentse vrienden weer voor een paar weken, en ik heb een paar dagen geleden nog een paar uur bijgekletst met andere vrienden, met wie ik in het verleden hele mooie, avontuurlijke wandeltochten in Pilion heb gemaakt. Waar ik ook naar uitkijk is de op handen zijnde ontmoeting met een vroegere OAD-collega van mij, die samen met haar man een paar dagen met hun camper op de zeer nabijgelegen camping Sikia staat. Ik maakte met haar en nog een collega ergens rond of net na de eeuwwisseling een individuele studiereis naar Italië, waar we onder andere met de auto van Rome via Toscane naar het Comomeer in het noorden zijn gereden. Onderweg bezochten we hotels en campings die in de Oad-brochure stonden, maar veel leuker waren natuurlijk de kleine dorpjes waar we doorheen reden, en de mooie plekjes waar de vertegenwoordigers ter plekke ons soms op een lunch of diner trakteerden.

Tijdens zo’n studiereis moesten we de hele dag door videoopnames maken van de hotels en appartementen die we bezochten, zodat onze collega’s thuis ‘met eigen ogen’ konden zien hoe die eruitzagen. Onlangs kwam ik op mijn archief-harde-schijf toevallig de opnames van deze Italië-studiereis tegen, echt superleuk om terug te zien, al kwamen we wat betreft de beschrijving van die ontelbare kamers die we op zo’n reis zagen meestal niet veel verder dan: ‘…en dit is dus tweepersoonskamer, ziet er netjes uit, met kaptafel en een zitje naast het bed. Behang is wat somber, en oogt een beetje ouderwets. De badkamer is keurig schoon, maar heeft wel een douche in het bad, dus niet geschikt voor mindervaliden.’

Ja, dat waren leuke tijden en ik ben benieuwd hoeveel mijn collega zich er nog van herinnert. Het leuke is dat onze mannen elkaar ook kennen, want die hebben samen nog een paar jaar samen in de tenniscompetitie gespeeld. Iets wat ik eigenlijk een beetje vergeten was, maar wat manlief zich nog goed kan herinneren. Dus gesprekstof is er genoeg als we elkaar binnenkort hier in Pilion na bijna vijfentwintig jaar zullen terugzien. Kortom, we hebben een mooie, gezellige maand voor de boeg, met leuke ontmoetingen en ongetwijfeld een paar vrienden-uitjes. We zullen af en toe uit eten gaan op een terrasje aan zee of in de bergen, of een beetje lanterfanten op ons terras en mijn beroemde – of beruchte? – ‘zondagse frappé’s’ drinken in de tuin. Maar wat we vooral gaan doen is lekker genieten. Van elkaar en met elkaar… 😉

♥♥♥

 

Blij eitje

Ik ben met hart en ziel een voorjaarskind. Als baby werd ik al op slag een blij eitje als ik tussen de bloemetjes werd gezet. En ook nu nog doen de heldere kleuren van de bloemenpracht die na de wintermaanden uit de aarde schiet, me op slag alle narigheid van die donkere maanden vergeten. Op de een of andere manier voelt pijn nu eenmaal altijd erger als het zonnetje niet schijnt en de regen met bakken uit de hemel valt. Van dat laatste hebben we hier in Pilion de afgelopen weken aardig wat gekregen. Niet leuk, maar wel noodzakelijk, want het is een van de redenen dat ons schiereiland ook in de hete zomermaanden nog heerlijk groen is. Alleen mag die regenval van mij nu wel weer ophouden, of wat meer in de nachtelijke uren vallen, want ik heb echt dringend behoefte aan veel zon en warmte op mijn botten.

Behalve dat gebrek aan zon gaat het trouwens best goed met die botten van mij. De intensieve behandeling met acupunctuur en elektrotherapie door de neuroloog die mij op het laatste nippertje voor een ‘noodzakelijke’ rugoperatie wist te behoeden heeft prima geholpen. Van niet meer kunnen lopen, zitten, staan ben ik in nog geen maand tijd naar vrijwel pijnloos bewegen gegaan, een fantastisch resultaat voor iemand die al vijftien jaar loopt te tobben met kleine en grote rugklachten. Die onderrug van mij zal altijd een zwakke plek blijven, dat verandert niet. Ook niet door een operatie, want als daardoor de ene klacht verdwijnt, komt er heel snel een andere klacht voor in de plaats, zegt deze neuroloog. Zo werkt dat blijkbaar met de stenose, artrose en andere -oses die ik in mijn leven heb opgebouwd. Maar hij heeft wel zoveel vertrouwen in het blijvende resultaat van zijn behandeling dat ik, als het zo blijft, zeker tot half augustus mag wegblijven. Verheugend nieuws dus, en reden genoeg om alsnog onze uitgestelde ‘knuffelreis’ naar Nederland te gaan maken. Kleine Saar is inmiddels twee maanden oud, en hoe leuk het ook is om haar op foto’s en video’s te zien, er gaat natuurlijk niets boven het ‘live’ knuffelen.

Het schiet al flink op, want we hopen op 7 april in Nederland arriveren, net na de Pasen die bij jullie op 5 april valt. In Griekenland valt het dit jaar op 12 april, maar dat missen we dus ook, omdat we dan in Nederland zijn. Wat betekent dat wij dit jaar geen Pasen zullen vieren. Nu hebben wij niet zo heel veel met Pasen, maar het feit dat je zo’n wereldwijd gevierd feest kunt ‘missen’ omdat je toevallig net niet in het goede land bent op de juiste datum, vind ik toch wel een beetje bijzonder. Het is eigenlijk net zoiets als met oud en nieuw, wanneer wij ons al een uur in het nieuwe jaar bevinden terwijl onze zoon nog steeds in het oude rondloopt. En wij hebben slechts één uur tijdsverschil, maar stel nou eens dat je bijvoorbeeld een kind hebt dat in Australië woont en een ander kind in Amerika, terwijl je bejaarde ouders in Nederland nog leven en jijzelf in Griekenland woont, dan wordt het op die laatste dag van het jaar allemaal wel heel verwarrend, als je ze allemaal op het juiste tijdstip wilt bellen om Gelukkig Nieuwjaar te wensen, toch?

Ik moet hieraan denken omdat we afgelopen weekend de klok weer een uur vooruit hebben gezet. Vijf dagen heeft je lijf nodig voordat het helemaal gewend is aan de nieuwe tijd, las ik zojuist. Dat zou betekenen dat wij dus net ‘op ritme’ zijn wanneer we in Nederland aankomen. Maar eenmaal geland op Schiphol, moeten wij ons horloge een uur terugzetten omdat er een uur tijdsverschil zit tussen Griekenland en Nederland. En hopla, dan zitten wij dus gewoon weer op Griekse wintertijd en hebben we die vijf dagen wennen aan de zomertijd eigenlijk voor niks gedaan. Kortom, het begrip ‘tijd’ is behoorlijk relatief en zeer afhankelijk van waar je je op een bepaald moment bevindt. Iets waarvan ik me in mijn jonge jaren als KLM-stewardess al heel erg bewust was, want vier jaar lang was het ‘klok vooruit of klok terug’ voor mij een bijna dagelijks onderdeel van mijn leven.

Het ‘toppunt’ van tijdsverwarring was destijds toch wel de vliegreis van Amsterdam naar Tokyo die via Anchorage in Alaska ging en vice versa. Als we vanuit Amsterdam in Anchorage aankwamen, was het daar tien uur vroeger dan in Nederland. Het vliegtuig vloog na een kort oponthoud door, maar wij als bemanning mochten een paar dagen in Anchorage blijven. Na een paar dagen vlogen we dan met het volgende vliegtuig het traject Anchorage – Tokyo, en daar was het maar liefst zeventien uur later dan in Anchorage. In Tokyo verbleven we twee nachtjes, waarna we terugvlogen naar Anchorage en daarmee weer zeventien uur teruggingen in de tijd, om vervolgens na een paar dagen vanuit Anchorage naar Amsterdam te vliegen, wat weer een tijdsverschil opleverde van tien uur later. Door die absurd grote tijdsverschillen en het binnen één week heen- en terugvliegen beleefde je dezelfde dag soms twee keer of sloeg je er eentje helemaal over. Ja, echt, zo grillig is dus het begrip ‘tijd’.

En als we het dan toch over ‘tijd’ hebben… Deze maand hoop ik zeventig te worden, en jeetje, dat vind ik toch echt wel een dingetje, hoor! Natuurlijk ken ik alle clichés, dus ja, ik weet dat je zo oud bent als je je voelt, dat zeventig nog hartstikke jong is en dat ik hopelijk nog heel veel mooie jaren voor de boeg heb. Maar hoe jong je je ook voelt, feit is dat zeventig jaar op deze wereld rondlopen best lang is. De jaren zestig waarin ik een jong meisje was, zijn voor de jongeren van nu gewoon net zo ver verwijderd als de jaren van de Eerste Wereldoorlog (1914-1918) voor mij destijds als veertienjarige waren! Dat is toch onvoorstelbaar?

Zeventig jaar is dus niet niks. En dat ik die kroonverjaardag eigenlijk geheel onverwachts ook nog eens ga vieren in Nederland, samen met man, zoon, schoondochter en de twee kleinkinderen… Ja, dat is toch wel een heel leuk vooruitzicht! Kortom, ik ben een en blijf een ‘blij ei’, ook op mijn zeventigste… 😉

♥♥♥