Stil, je vader speelt…

Pa.01

Mijn vader, Jan van der Hoeven.

 

 

Velen in Vlaardingen hebben hem gekend: als hoofd Middenstand van de KvK of als voorzitter van Mannenkoor Orpheus. Hij was een serieuze, integere man die zijn verantwoordelijkheden zwaar opnam. Maar Pa had ook een heel andere kant. Hij was een groot gevoelsmens, iets wat o.a. tot uiting kwam in zijn passie voor muziek. Morgen is zijn geboortedag, de dag waarop hij negentig jaar zou zijn geworden. Vandaag alvast mijn cadeautje voor hem: een speciale ‪#‎vaderdag‬ column voor Vlaardingen24. Deze column is voor jou, Pa. Omdat ik je subtiele humor en je warme liefde al vijftien jaar moet missen.

 

STIL, JE VADER SPEELT…

In mijn Vlaardingse ouderlijk huis staat een orgel. Een groot orgel. Het heeft een volledig voetpedaal, twee klavieren en een heleboel knopjes die allerlei wonderschone kerkorgelklanken kunnen voortbrengen. Op het orgel, aan weerszijden van de muziekstandaard, staan foto’s. Foto’s van een lachende opa, die met zijn kleindochters op schoot achter datzelfde orgel zit. Die opa is mijn vader.

Ik kijk naar de foto en glimlach. Ik weet hoe het voelt, op die schoot, achter het orgel, ook al zag het orgel van míjn foto er heel anders uit. Het stond in de woonkamer, aan de korte muur tussen de schoorsteen en het raam, en had een ombouw van lichtgrijs multiplex waarin met de hand een deurtje was uitgezaagd. Achter dat deurtje zat een pedaal. Een groot voetpedaal. Daar moest je hard op trappen en als je dat maar lang genoeg volhield, zat er uiteindelijk zoveel lucht in het instrument dat er muziek uit kwam.

Later heb ik begrepen dat zoiets een trapharmonium heet. In die tijd wist ik dat niet. Het enige interessante aan ons orgel vond ik de ombouw, want die gebruikte ik op zondagmiddagen als toegangspoort voor mijn theatervoorstelling. Het publiek, bestaande uit mijn vader, moeder, zus en inwonende tante, moest boven aan de trap door het pedaalpoortje kruipen om op de overloop te komen, waarna ik hen, keurig gekleed in mijn moeders zwarte kokerrok en witte bloes, naar hun plaatsen leidde.

Of dat de reden is dat het trapharmonium al snel plaats maakte voor een ander orgel weet ik niet. Feit is dat de door mij zo gewaardeerde ombouw tegelijk met het instrument verdween, iets wat ik in tegenstelling tot mijn publiek diep betreurde. Maar gelukkig bleek de opvolger ook zo zijn voordelen te hebben. Die was namelijk opvouwbaar. Waarschijnlijk was dat het argument geweest waarmee mijn vader de aanschaf ervan er bij mijn moeder doorheen kreeg, want inmiddels hadden we gezinsuitbreiding gehad. Met drie volwassenen, drie kinderen en een huis zonder kelder of zolder was de leefruimte beperkt. Een opvouwbaar orgel leek dus een prima oplossing te zijn.

Helaas voor mijn moeder was de enige keer dat het instrument daadwerkelijk werd opgevouwen, de keer dat we op vakantie naar Ommen gingen. Trots werd het in de tuin van de vakantiewoning opgesteld en al snel dwarrelden de eerste tonen van een Bach Sonate over het bungalowterrein. Nu is een orgel mee op vakantie al niet iets waarmee je als kind bij je vakantievriendjes kan scoren, maar als dat orgel ook nog eens alleen maar klassieke muziek voortbrengt, kun je het natuurlijk helemaal schudden. Mijn beste en enige vriendje tijdens die memorabele vakantie was dan ook een klein zwart-wit gevlekt zwerfhondje.

Eenmaal weer thuis werd het orgel wederom aan de muur tussen de schoorsteen en het raam geplaatst en nooit meer opgevouwen. Iedere avond na het eten nam mijn vader zijn plaats achter het orgel – nou ja, meer orgeltje – in, bladerde gewichtig door de stapel Klavarskribo-muziek op de orgelbank en sloeg na veel gehum en keelgeschraap een akkoord aan. Meestal begon hij er na een minuut of twintig echt in te komen en werden er kreten als ‘mooi, hè?’ en ‘dit móéten jullie horen’ de woonkamer in geslingerd.

Vervelend was wel dat hij zelden een stuk helemaal uitspeelde. Cantates, sonates, ja, zelfs Johannes de Heer bereikten alleen bij hoge uitzondering de laatste noot. Het begin werd enthousiast ingezet, maar net op het moment dat je als toehoorder de melodie te pakken had, hield hij abrupt op met spelen. Dan gromde hij iets onverstaanbaars, greep de sigaret die naast hem in de asbak op de orgelbank lag te smeulen en bladerde driftig door naar het volgende nummer, waarna het hele ritueel zich herhaalde.

De speeluurtjes van mijn vader waren heilig. ‘Stil, je vader speelt’, zei mijn moeder altijd op bestraffende toon als wij kinderen ons wat al te luidruchtig gedroegen. En inderdaad, mijn vader speelde…

Steeds vaker was hij achter het orgel te vinden, steeds groter werd de stapel muziekboeken en het was slechts een kwestie van tijd voor hij verlangend begon te lonken naar een ‘echt’ orgel. Eentje met voetpedaal en de klank van een kerkorgel, maar dan wel met afmetingen die in een woonkamer met drie volwassenen en drie kinderen paste.

Stad en land werden afgereisd op zoek naar dat ene orgel. Met de tram, de trein en de bus, want een auto hadden we niet. En ja, uiteindelijk vond mijn vader wat hij zocht. De koop werd gesloten en het orgel afgeleverd. Nooit vergeet ik het ontstelde gezicht van mijn moeder toen het ons huis binnen werd gedragen. Mijn vader had namelijk ‘vergeten’ te vermelden, dat het bewuste exemplaar iets groter was uitgevallen dan gepland.

‘Dat ding erin, ik eruit!’ brulde mijn moeder toen bleek dat een groot deel van het meubilair in de woonkamer moest verdwijnen om het nieuwe orgel een plek te geven. Gelukkig wist mijn vader haar te kalmeren. Zowel zij als het orgel bleven, en na een week schuiven met de meubels bleek alles er toch in te passen. Zelfs wij.

De jaren gingen voorbij. Zoals een ander zijn auto inruilt, zo ruilde mijn vader regelmatig zijn orgels in. Voor een steeds beter, steeds mooier, en ja, ook een steeds groter exemplaar. Dat kon, want de woonkamer werd alsmaar leger. Onze inwonende tante was vrij snel na de komst van het derde orgel getrouwd, en ook wij, de kinderen, verlieten een voor een het nest.

Ondertussen speelde mijn vader rustig door. Orgelmuziek was zijn lust en zijn leven. Een kerkorgel bezitten behoorde niet tot de mogelijkheden, maar dat éne orgel dat er heel dicht bij in de buurt kwam, wel. Het was alleen wel héél erg groot. En dus reed er op een mooie zonnige dag een kraan de straat in. De ruit van de slaapkamer op de tweede verdieping werd er netjes uitgesneden en ‘Het Orgel’ de kamer in gehesen, waarmee ons ouderlijk huis opeens een echte orgelkamer bezat.

Het ultieme orgel heeft een volledig voetpedaal, twee klavieren en een heleboel knopjes die allerlei wonderschone kerkorgelklanken kunnen voortbrengen. Dat weet ik, want ik heb het zelf gehoord, die paar maanden dat mijn vader, zijn kleindochters op schoot, nog op het orgel heeft kunnen spelen.

Mijn moeder komt naast me staan. ‘Stil’, zegt ze. ‘Je vader speelt…’ En glimlachend luisteren we samen naar de orgelklanken in ons hoofd.

♥♥♥♥♥

Deze column is ook gepubliceerd in de rubriek VIDV van de online krant Vlaardingen24.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.