Onkruid

rauwe-chortaAls er iets is waaraan iedere tuinliefhebber een hekel heeft, dan is het wel onkruid. Het heeft de onhebbelijke eigenschap te verschijnen op plekjes waar je het niet wilt hebben. Vooral na een regenbui. Wat ik zo leuk vind aan de mensen hier is dat ze zelfs van niet leuke dingen leuke dingen weten te maken. Onkruid is bij ons geen onkruid, het heet ‘chorta’. En chorta kun je eten.

Regelmatig zie ik mijn oudere buurvrouw ’s ochtends gewapend met een mes en een plastic tasje naar het braakliggend terrein verderop lopen om een kwartiertje later met een tas vol groene sprieten en bladeren weer terug te komen. De chorta wordt ontdaan van de wortels en lelijke bladeren, gekookt in veel water en geserveerd zoals wij onze spinazie en andijvie serveren: als groente bij de maaltijd. Het verzamelen van chorta is een vrouwenbezigheid. Eentje die al uit de prehistorie stamt en hier nog steeds in ere wordt gehouden. Ik kijk er tenminste niet meer van op als ik met een groepje vrouwen op stap ben in de natuur en er al keuvelend onderweg van alles door de dames wordt verzameld. Noten, kastanjes, appels, bessen, bramen, paddenstoelen, chorta… Moeder Natuur zorgt in Pilion goed voor haar kinderen.

Ikzelf ben wat terughoudender in dat soort dingen. Niet gewend om ‘van de natuur’ te eten ben ik veel te bang dat ik precies die dingen uitkies die door Moeder Aarde voorzien zijn van een giftig zaadje. De uitnodiging van de overbuurvrouw om een keertje mee te gaan naar haar landje om chorta te plukken nam ik dan ook met beide handen aan. Eindelijk zou ook ik ingewijd worden in die mysterieuze vrouwenbezigheid van onkruid verzamelen. Het was een leerzame ochtend. Buurvrouw kwam niet meer bij van het lachen toen ik vol goede moed mijn eerste paardenbloem wilde steken… met de verkeerde kant van het mes. Chorta verzamelen is een kunst op zich, zeker weten. Je mag niet te veel afsteken, want dan groeit er volgend jaar niets meer. Te weinig is ook niet goed, dan mis je de specifieke smaak van het kruid. En welk onkruid nu wel of niet eetbaar is, werd me zelfs na tien keer aanwijzen niet echt duidelijk. Het verschil tussen een brandnetel en een paardenbloem zie ik wel, maar veel verder gaat mijn kennis nog steeds niet.

Dankzij de buurvrouw kwam ik die ochtend toch met een volle tas thuis. En toen begon het echte werk. Al dat groen moest schoongemaakt worden, worteltjes uitgehold dan wel verwijderd, lelijke blaadjes weggegooid… Gelukkig was de moeder van buurvrouw zo lief om mij te helpen, anders was ik aan het eind van de dag nog bezig geweest. Nu waren we na een halfuurtje al door de vele kilo’s heen. Gewapend met het ‘schone’ groenvoer vertrok ik naar mijn eigen keuken, haalde de allergrootste pan die we hebben uit de kast en zette hem, tot aan de rand gevuld met water en chorta, op het vuur. ‘Een uurtje zachtjes laten koken,’ had buurvrouws moeder gezegd en gespannen wachtte ik tot ik mijn eerste zelfbereide chorta op tafel kon zetten.

Het resultaat zag er in ieder geval prachtig uit. En met flink wat zout en citroensap smaakte het ook nog ergens naar. Helaas… zat ik de volgende dag van top tot teen onder de rode jeukende bultjes. Allergisch voor zelfgeplukte chorta! Het is een welkom excuus om het eetbare onkruid in mijn tuin voortaan gewoon weer op de composthoop te gooien en dat wat in de strook voor het hek aan de straat staat over te laten aan wie er toevallig trek in heeft.

Vorige week zag ik twee oude vrouwtjes uit het dorp met mes en tasje voor mijn hek door de knieën gaan. Ze hadden mij niet gezien en keken een beetje beschroomd op toen ik hun een vrolijk goedemorgen toewenste. ‘Prachtige chorta hebt u,’ zei de een. ‘En zo veel! Eet u het zelf niet?’ Ik trok een spijtig gezicht. ‘Gaat niet, ik ben er allergisch voor,’ zei ik, alsof ik dat het ergste vond wat er bestond. ‘Dus als u wilt, mag u het allemaal hebben. Het is ook nog eens onbespoten!’ Ze vielen op mijn onkruid aan alsof het een unieke delicatesse betrof. Toen ik hun na wat bewonderende opmerkingen over de sinaasappels aan de boom in mijn tuin ook nog eens een zak vol oranje vruchten overhandigde, kon hun dag helemaal niet meer stuk. Ze bedankten me alsof ik hen overladen had met kostbare geschenken en vertrokken met stralende gezichten naar huis.

Iedere keer als ik nu mopperend in de aarde zit te wroeten om het ongewenste groen weg te halen zie ik in mijn herinnering die twee vrouwtjes weer voor me. En als vanzelf verschijnt er dan een glimlach op m’n gezicht. Wat is het toch mooi om te wonen in een land waar zelfs onkruid als een cadeautje wordt beschouwd 🙂

♥♥♥♥♥

Rollercoaster

corkscrewHet is lente in Pilion. Ik heb net een wandelingetje met onze Ira gemaakt en met eigen ogen gezien dat in de olijfgaarden achter ons huis de klaprozen er alweer lustig op los bloeien. Al dat fleurige rood tussen het felle groen geeft een vrolijk gevoel, en dat laatste had ik zo zachtjesaan even heel hard nodig. Ik heb namelijk de afgelopen weken voornamelijk ziekenhuizen gezien: eerst in Nederland, en aansluitend hier in Volos. Nee, niet voor mezelf gelukkig, maar wel vanwege twee mensen die mij uiterst dierbaar zijn: mijn moeder en mijn echtgenoot…

Begin februari werd mijn moeder na al enige maanden aanhoudende gezondheidsproblemen in het ziekenhuis opgenomen met een beginnende longontsteking. En bij iemand die al ver in de tachtig is kan dat vrij snel funest zijn. Dus vertrok ik twee dagen later midden in de nacht vanuit Kato Gatzea om binnen twaalf uur (!) al aan het ziekenhuisbed van mijn moeder te staan. Het waren bange dagen, maar gelukkig knapte ze geleidelijk aan weer redelijk op. Na ruim twee weken mocht ze naar een revalidatiecentrum voor ouderen om daar verder te herstellen en weer op krachten te komen. Ik haalde opgelucht adem en boekte een terugvlucht voor 28 februari. Die laatste paar dagen in NL wilde ik besteden aan het afleggen van wat gezellige bezoekjes aan vrienden en vriendinnen die ik al lang niet had gezien.

Het liep even anders, want op de vrijdag dat ik mijn moeder uit het ziekenhuis naar het revalidatiecentrum begeleidde, kreeg ik een telefoontje van manlief, die me vertelde dat hij vanwege zijn al weken durende hoest- en koortsaanvallen op datzelfde moment in het ziekenhuis in Volos werd opgenomen. En dat was natuurlijk even flink schrikken. ‘Verscheurd verlangen’ is de titel van mijn nieuwe boek, en geloof me, ik weet nu precies hoe dat voelt! Diezelfde avond boekte ik een nieuwe terugvlucht, en afgelopen zondagochtend reisde ik per trein vanuit Vlaardingen door een wit sneeuwlandschap naar Enschede waar mijn zoon me opwachtte. We hadden nog even twee gezellige uurtjes bij hem thuis voor hij me naar Düsseldorf reed vanwaar ik per vliegtuig verder reisde naar Thessaloniki. Midden in de nacht arriveerde ik in Kato Gatzea, en wat was ik blij om weer thuis te zijn!

Maandagmiddag stapte ik – voor het eerst sinds we hier wonen – het ziekenhuis van Volos binnen, in principe een splinternieuw gebouw, want het is destijds aan het oude ziekenhuis aangebouwd voor de atleten van de Olympische Spelen in 2004. Het sterk verouderde deel van het ziekenhuis zou gesloten worden, en voortaan zou Volos beschikken over de nieuwste apparatuur en inrichting. Helaas werden die na afloop van de Spelen opgeëist door de ziekenhuizen in Athene en Thessaloniki, waardoor het ‘oude Volos-ziekenhuis’ noodgedwongen ook nog steeds in gebruik is. En manlief lag dus in een kamer van het oude gedeelte… Ik zal u de details besparen. Laat ik volstaan met te zeggen dat het een klein donker kamertje was, verveloos, vervallen, stinkend naar de uitwerpselen van de buurman wiens vrouw dag en nacht aan het bed zat, al dan niet telefonerend; met een krakend en niet verstelbaar bed waarop schone lakens na een nachtelijke koortsaanval niet vanzelfsprekend waren en een gebrek aan hygiëne waar je al helemaal niet over moet nadenken. Die avond heb ik thuis eerst even een kwartiertje flink gejankt omdat ik mijn man in een dergelijke omgeving moest achterlaten, want de overgang van het Nederlandse ziekenhuis naar dit was wel heel erg groot.

Inmiddels zijn we zes dagen verder en gistermiddag mocht ik manlief gelukkig weer mee naar huis nemen. Ondanks de schrijnende omstandigheden waren de artsen en de behandeling uitstekend, het weinige verplegend personeel zo behulpzaam als ze onder hun werkdruk maar konden zijn, en heeft manlief alle testen en onderzoeken gekregen die er bestonden om de oorzaak voor zijn symptomen te vinden. Het goede nieuws is dat hij niets ernstigs mankeert, het iets minder goede dat hij waarschijnlijk geveld is door een influenzavirus waarvoor geen antibiotica bestaat. Een kwestie van uitzieken dus, en de artsen besloten dat hij dat beter thuis kan doen om het risico op een nieuwe infectie of besmetting met een ziekenhuisbacterie te voorkomen. Hij is nu dus ‘lopend patiënt’ en moet volgende week terugkomen om een aantal nadere onderzoeken te ondergaan. Een besluit waar we erg blij mee zijn!

En zo kan ik vandaag mijn column schrijven met een iets vrolijker gevoel dan ik de afgelopen weken heb gehad. De berichten vanuit Nederland zijn gematigd gunstig, m’n moeder is nog erg verzwakt en vermoeid, maar in ieder geval heel wat beter dan vier weken geleden; manlief ligt thuis uit te zieken en bij te komen van de horrorfilm die hij de afgelopen week op zijn netvlies voorbij heeft zien komen, en ik… ach, met mij gaat het goed 🙂

♥♥♥♥♥

Rondje tuin

De kop is weer van het jaar af. ‘Februari’ staat er op de mooie Kato Gatzea-kalender voor me, en ik vraag me onthutst af waar de tijd toch blijft. In de tuin bloeien alweer de eerste kleurrijke Margarita’s, steken de bollen van vorig jaar hun kopjes uit de grond en tiert de gele klaver welig. Onkruid, ja, ik weet het, maar al dat geel staat zo vrolijk, dus voorlopig mag het van mij heerlijk zijn gang gaan.

wintertuin2Zelfs voor hier is al die bloemenpracht wat aan de vroege kant. We hebben nog nauwelijks winter gehad. Ondanks een paar flink koude dagen – relatíéf koud natuurlijk, vergeleken bij de Nederlandse kou stelde het niets voor – hebben we bijna de hele maand januari regelmatig in het zonnetje op het tuinterras kunnen zitten. Met de jas aan, dat wel, maar toch…

Het kan zo veranderen, dat weet ik van vorige jaren. En die grote oude zwart-wit kalenderfoto van de Kato Gatzeese haven aan de muur voor me bevestigt dat alleen maar. Op de bootjes zie ik een dik pak sneeuw liggen, wat mij er de komende maand iedere dag aan zal herinneren dat één zwaluw nog geen zomer maakt. Maar als het toch nog gaat gebeuren, als we de komende weken toch nog even echt winter krijgen, dan kan ik daar ook wel weer vrede mee hebben. Een heftig, niet al te lang durend koufront om de prikvliegen van vorig jaar uit te roeien juich ik zelfs toe. De eerste ellendelingen heb ik namelijk alweer rond zien vliegen en daar was ik niet blij mee. Hoe fijn het in mijn nieuwe werkkamer ook is, als straks het voorjaarszonnetje de temperaturen omhoog stuwt, wil ik m’n stoel en bureau wel weer graag buiten op het terras neerzetten en lekker schrijven zonder aangevallen te worden door hordes prikvliegen. Dus ja, een klein beetje winter is welkom… zolang het maar niet al te lang duurt.

Een echt zonnekind ben ik, en de maanden waarin ik die zon in mijn hart even wat minder zag schijnen, liggen gelukkig grotendeels achter me. De rug en schouders hebben dankzij Yannis met de Gouden Handen hun soepelheid weer aardig teruggekregen en spelen alleen nog maar op als ik toch net weer een paar uur te lang achter de computer zit. Ik moet nog steeds veel achter het bureau weg om pijn te voorkomen. Dus loop ik tijdens het schrijven regelmatig een rondje door de tuin – had ik al gezegd dat ook de lavendel weer prachtig paars bloeit? – en probeer ik de concentratie zo goed mogelijk vast te houden.

Dat laatste valt me moeilijk. Zoveel dingen die me afleiden van het verhaal waar ik helemaal in ondergedompeld moet zitten om het voor u, mijn lezers, te beschrijven alsof u zelf in mijn boeken rondwandelt. De nieuwe roman die al een poosje ‘groeiende’ is, krijg ik door de gezondheidsprobleempjes van de laatste maanden jammer genoeg niet op tijd af om zoals beloofd in het voorjaar te laten verschijnen. Gelukkig heb ik een heel lieve uitgever die vindt dat mijn gezondheid voor alles gaat en mij op het hart drukt vooral de tijd te nemen voor het nieuwe boek. En dat doe ik dan ook maar. U zult dus nog een paar maanden langer moeten wachten op het verhaal van Andrea Groeneveld, die na haar op de klippen gelopen huwelijk met een Griek ervoor gekozen heeft op Pilion te blijven wonen. Nog even geduld moeten hebben voor u kunt lezen waarom ze onverwacht voor een kort familiebezoek naar Nederland gaat en daardoor een man leert kennen die zo heel erg níét bij haar past. Een man die snelle sportwagens veel gemakkelijker te hanteren vindt dan zijn vijftienjarige puberdochter…

De eerste hoofdstukken zijn er al, en ik denk dat het weer een mooi boek gaat worden. Ik ben blij dat ik Andrea’s reis door het leven voor u mag opschrijven, maar dat wil ik graag zo goed mogelijk doen en met al die rondjes lopen door de tuin schiet het niet zo snel op als ik zou willen. ‘Wat in het vat zit, verzuurt niet,’ werd mij vroeger altijd gezegd als ik weer eens te ongeduldig was. Een van die oeroude clichés, waarmee mijn generatie om de oren werd geslagen. En toch… clichés hebben een ding gemeen: ze bevatten altijd een hoop waarheid! Nee, een voorjaarsboek van mijn hand zit er dit jaar helaas niet in, maar ik verzeker u dat Andrea’s verhaal al wel zeer comfortabel in het najaarsvat zit. En ik zal er persoonlijk op toezien dat het niet verzuurt! 🙂

♥♥♥♥♥

Nieuwjaarsgedachten

vuurwerkOp Nieuwjaarsdag ben ik altijd wat mijmerig. Een nieuw jaar dat blanco voor je ligt, dat heeft gewoon iets. Veel voornemens heb ik nooit, ik zie wel wat het leven me zal brengen. Maar één voornemen staat er altijd pontificaal boven aan mijn kleine lijstje: geniet van iedere dag! En naarmate een mens ouder wordt, besef je eens te meer hoe belangrijk dat is.

Zo heb ik gisteren ook genoten: van een heerlijk rustige oudejaarsdag. ’s Ochtends werden we door de drie buurkinderen van verderop op enthousiaste wijze toegezongen opdat ons in het Nieuwe Jaar veel geluk en voorspoed ten deel zal vallen. De zilver- en goudkleurige chocolade-eurootjes die ik ze gaf, leverden me een dankbare glimlach op. Tevreden met hun buit wilden ze alweer weglopen, maar toen er voor ieder ook nog een echte euro achteraan kwam, verschenen er in die prachtige donkerbruine kinderogen een paar sprankelende lichtjes die nog steeds op mijn netvlies gegrift staan. Zulke lichtjes heb ik bij de Nederlandse krantenjongens – die op Oudejaarsdag hun nieuwjaarskaartjes zwijgend onder mijn neus duwden en jaren geleden al meer verwachtten dan één simpel eurootje – nooit gezien.

Ik weet ook heel zeker dat de eurootjes die we uitdeelden niet besteed zijn aan rotjes die achteloos in vele veelvouden weggesmeten werden. Het enige geknal dat we in de afgelopen dagen hebben gehoord vond gisteravond plaats. Om twaalf uur gingen er in het dorp een enkele vuurpijl en een stuk of wat rotjes de lucht in en om tien over twaalf was het weer stil. Doodstil. In Nederland ging er dit jaar voor vijfenzeventig miljoen aan vuurwerk de lucht in, las ik vanmorgen. Vijfenzeventig miljoen! En dan hebben we het nog niet eens over de schade die het ongetwijfeld veroorzaakt heeft en nog berekend moet worden. Materiële schade, maar ook andere schade: vingers die afgerukt werden, brandwonden die nooit meer weggaan, gezichten die nog steeds verminkt zullen zijn als de kwalijke vuurwerkdampen weer opgetrokken zijn.

In Volos hangen al wekenlang iedere avond kwalijke dampen. Ze worden veroorzaakt door ontelbare kachels waarin alles gestookt wordt wat warmte geeft, omdat in de meeste flatgebouwen de centrale verwarming is afgesloten. Een onlangs bevallen vriendin van me vertelde dat ze de babywas vanwege de stank van de niet opgehaalde vuilnis en de rook van de kachels niet meer buiten durft te hangen. De elektrische kacheltjes waarmee ze het huis nu moet verwarmen, geven niet echt een behaaglijke warmte af en het dagelijkse gevecht tegen de schimmel is bij voorbaat al gedoemd te mislukken. Schrijnend ook was haar verhaal over de inentingen die haar baby zou moeten krijgen: in de apotheek waar ze altijd naar toe gaat, was het vaccin voor de DTP-injectie die de kinderarts had voorgeschreven niet meer te krijgen.

Vijfenzeventig miljoen aan vúúrwerk, afgestoken om het nieuwe jaar feestelijk te begroeten… Wie verzint zoiets?

Ach, ik weet zeker dat er ook in Nederland nog heel veel weldenkende mensen wonen, die hun zuurverdiende geld niet hebben uitgegeven aan vuurpijlen en rotjes. Mensen die net als ik het hoofd schudden bij de Oudejaarsgekte die ieder jaar grotere vormen aanneemt. Ondanks de crisis. Want ja, de crisis slaat ook in Nederland hard toe, dat hoor ik van vele kanten. En ik vind het heel erg dat de welvaart in mijn vaderland niet meer voor iedereen zo vanzelfsprekend is als het was. Toch zal ik ook dit jaar blijven volhouden dat het begrip ‘crisis’ voor de Nederlanders nog steeds een heel andere betekenis heeft dan voor de Grieken. Als de humanitaire rechten van een mens worden aangetast, als zelfs de meest vanzelfsprekende levensbehoeften zoals gezondheidszorg, voedsel en onderdak niet meer voor iedereen beschikbaar zijn, dan is ‘crisis’ een loos woord; in dat geval heb je naar mijn bescheiden mening toch echt te maken met een humanitaire ramp!

‘Het hemd is nader dan de rok’ probeer ik mezelf altijd voor te houden als ik hoor hoe Griekenland door heel Europa onder vuur wordt genomen. Maar als u diep in mijn hart kijkt, dan hoop ik dat degene die op een van de Griekenland-fora op de welgemeende Nieuwjaarswens ‘een beter jaar voor het Griekse volk’ reageerde met de woorden: ‘Wie zaait zal oogsten, dus dan moet je ook niet piepen’ zijn huis en al zijn bezittingen is kwijtgeraakt door een van de vuurpijlen die gisteravond zijn afgestoken. En eigenlijk is dat nog het minst erge wat ik diegene  toewens. Niet echt aardig van mij, dat geef ik grif toe, maar bij dit soort domme uitspraken kan en wil ik niet meer aardig zijn. Hoewel…

Een nieuw jaar is aangebroken. Een jaar waarin ongetwijfeld weer veel zal gebeuren. Als ik een wereldwens mag doen, dan is het dat de mensheid in 2013 eindelijk, eindelijk tot het besef zal komen dat met elkaar in vrede leven toch heel wat beter is dan elkaar de hersens inslaan, verbaal dan wel letterlijk. Een onmogelijke wens, ik weet het, maar als ieder mens daar nu in zijn eigen omgeving zijn best voor doet, dan komen we met z’n allen een heel eind. En dus… zal ik proberen ook bij bovengenoemde uitspraken toch nog aardig te blijven 🙂

Ik wens iedereen een sprankelend 2013!

♥♥♥♥♥


Hoe het begon

Een regenachtige zomerdag in Nederland. Ik zit achter mijn computer te zwoegen op mijn zoveelste damesromannetje en denk mistroostig: wat zou het heerlijk zijn als ik dit voortaan op een balkonnetje onder de Griekse zon zou kunnen doen! Om er vervolgens meteen achteraan te denken: En waarom ook niet?

Zo is het letterlijk begonnen, die zomer van 2004. En het resultaat was dat mijn man en ik op 10 april 2005 met ons hele hebben en houwen in twee koffers en één pallet gestouwd in Pilion arriveerden. De enige zekerheid die we hadden, was een seizoenscontract voor mij als hostess, de belofte dat we voor de eerste dagen een dak boven ons hoofd zouden hebben, en het vaste vertrouwen in onszelf dat we het zouden gaan redden. Als we de tijd hadden gekregen om er goed over na te denken, zouden we waarschijnlijk nooit de moed hebben gehad om deze toch ietwat onbesuisde sprong te wagen. Maar die tijd was er niet. Er kwam een kans voorbij, en die hebben we met beide handen gegrepen. Hoewel we allebei een vaste baan hadden en op een leeftijd waren waarop de meeste mensen zich op het eerste kleinkind gaan voorbereiden, benauwde het leven in Nederland ons steeds meer. We wilden vrijheid, ruimte en warmte zowel in de letterlijke als figuurlijke betekenis van het woord, en geloofden dat we dat in Pilion zouden vinden.

Ik kijk met veel plezier terug op die hectische beginperiode. Nee, het viel niet altijd mee. We spraken de taal niet, kenden Pilion slechts van een eenmalige tweeweekse vakantie en woonden de eerste zes maanden in een huis dat alleen te bereiken was via een weg die veel gelijkenis vertoonde met een achtbaan. We hadden al onze bezittingen in Nederland verkocht of weggegeven en slechts het allernoodzakelijkste meegenomen. Maar we hadden de zon, een dak boven ons hoofd en net genoeg geld om regelmatig met een glas Griekse wijn in de hand op een terrasje naar de prachtige zonsondergang te kijken. En bijna dagelijks zeiden (en zeggen!) we tegen elkaar: Wat hebben we het toch goed!

In de winter van 2005 heb ik mijn schrijfwerk weer opgepakt. Vooral het eerste jaar zijn er heel wat ‘Kraamklinieken’ van mijn hand in de Nederlandse supermarkten en kiosken terechtgekomen. Er moest immers brood op de plank komen! Om wat afwisseling te creëren solliciteerde ik halverwege 2006 als vertaalster bij Harlequin Holland en inmiddels liggen er al zo’n twintig door mij uit het Engels vertaalde Bouquetreeks-boekjes in de Nederlandse winkels en bibliotheken. Maar ondanks al deze successen bleef ik net als iedere schrijfster dromen van dat Ene Echte Boek, waarvoor ik nooit de tijd had gehad om het te schrijven…

Waar ik de tijd vandaan heb gehaald, weet ik nog steeds niet, maar de droom werd werkelijkheid. Mijn debuutroman Onder de Griekse zon is op 27 november 2008 verschenen bij uitgeverij Ellessy te Arnhem. Het is een liefdesroman die zich grotendeels afspeelt in en rond mijn zo geliefde Kala Nera. Het boek is te verkrijgen via de Nederlandse boekwinkels of de diverse online-bookshops, maar u kunt het ook in de bibliotheek lenen. Inmiddels zijn er nog zeven romans van mijn hand verschenen. Informatie daarover vindt u onder het kopje ´romans´ op deze site.

Het leven valt niet altijd mee. Toch hoop ik dat ik, door ons verhaal hier te vertellen, heb laten zien dat niet alle dromen onbereikbaar zijn. Toegegeven, je moet er soms wat moeite voor doen, veel geduld hebben en zelf je kansen scheppen. Maar als die ene kans komt, wees dan niet bang om hem te pakken. Stel niet uit tot morgen wat je vandaag kunt doen en geniet van elke dag. Het leven is immers te kostbaar om achteloos door je vingers te laten glijden…

Zonnige groeten uit Pilion,

Wilma Hollander